Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
129
firn eene ruimte heeft afgelegd, gelijk aan de geheele lengte ac van het hellend
vlak. De last is evenwel niet meer gerezen, dan de hoogte bc van het vlak
gg bedraagt. Gij ziet dus hieruit, dat
de magt zich zooveel maal sneller
beweegt dan de last, als het aan-
tal keeren bedraagt, dat de hoogte
6c^in de lengte ac begrepen is,
waaruit naar aanleiding van het
geleerde volgt, dat de last staat
tot de magt, als de lengte der helling tot hare hoogte. Hoe minder schuin der-
halve het vlak ligt, met andere woorden, hoe langer het is in vergelijking der
hoogte, hoe minder ponden kracht er in vergelijking van den last zullen noodig
zijn om evenwigt temaken. Is de hoogte bc bij voorbeeld inde lengte ac 10
malen begrepen, dan zal 100 pond in m 1000 pond in l tegenhouden.
Men drukt de helling van een vlak, eenen weg of berg uit, door de hoogte
aan te geven, tot welke zij zich over eene bepaalde lengte verheffen. In het
bijgebragte voorbeeld zal men dus zeggen: de helling is eene palm op de el, enz.
Uit het bovenstaande volgt, dat men, bij den aanleg van wegen over groote
of steile hoogten, verstandig handelt, om ze met slingeringen naar boven te
leiden, opdat daardoor de lengte der helling vergroot worde. Dat tot het los-
sen van zware lasten uit vaartuigen met vrucht het hellend vlak wordt ge-
bruikt, is ook bekend.
Een opmerkelijk bewijs van het nut van dit werktuig gaf, eenige jaren gele-
den, de oprigting der obelisk van Luxor, op een der pleinen te Parijs. Dit
kolossale ligchaam, eenige honderdduizenden ponden zwaar, werd met een
daartoe opzettelijk ingerigt vaartuig uit Egypte gehaald, na het afl)reken van
eenige woningen langs een hellend vlak vervoerd en ingescheept, en op gelyke
wijze met behulp van een aantal kaapstanders gelost en opgerigt.
Wij hebben in fig. 60 de kracht beschouwd, als evenwijdig werkende aan het
vlak a c; zij werd door de katrol d gemakshalve slechts van rigting veranderd-
Het kan evenwel plaats hebben, dat de kracht horizontaal werkt, dat is, evenwij-
dig aau a b. In dat geval oefent zij zooveel vermogen niet uit, omdat zij, als de
last door de ruimte b c is opgevoerd, zich door den afstand a b heeft bewogen,
eu dus minder snelheid heeft ontwikkeld, zijnde a 6 altijd kleiner dan a c. By
zulk eene aan het grondvlak evenwijdig werkende kracht zal dan magt tot last staan
als h 0 lot ah. Door de ontleding der zwaartekracht op dergelijke wijze als
in de 18*^® les is geschied, zoude meu tot dezelfde uitkomsten kunnen ge-
raken.
Om u van de waarheid der laatste stelling te overtuigen, zoo neemt aan, dat
de last l fig. 70 zich alleen opwaarts kan bewegen, en door de beletselen p en 7
«n eene zijdelingsche afwijking verhinderd wordt. Schuift men nu het hellend
vlak voorwaarts, door middel der horizontaal werkende kracht A:, dan zal, wan-
ïi®®^ " ^ werktuig iji den stand gekomen is, welke door tittels is aangegeven,