Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
126
breedte toeneemt, liggende er om hare oppervlakte eene doorloopende groeve,
waarin de ketting wordt opgenomen. Wanneer deze laatste nu dooreen sleu-
teltje, hetwelk de as hf rond voert, geheel tot boven aan om de kettingspil is
gewonden, begint de veêr met hare volle kracht te werken, en wel aan eene
dunne spil^i; zoodat thans eene groote kracht aan eenen kleinen hefboomsarm
werkt. Allengs vermindert de spankracht der veêr, maar zij werkt ook allengs
aan eene dikkere spil of een grooter rad, waardoor omgekeerd eene kleinere
kracht aan eenen grooteren hefboomsarm haar vermogen uitoefent. Dien ten
gevolge blijft de hoeveelheid krachts dezelfde, en even daardoor de gelijkmatige
gang bewaard.
Thans volgt de katrol, welker vorm ik u niet zal beschrijven, daar gij op de
Fiq. 66.
schepen en bij het ophijschen van zware lasten hier-
van zeer dikwijls gebruik hebt zien maken.
Er zijn vaste en beweegbare katrollen.
Men noemt eene vaste katrol zoodanig eene [ab fig- 66),
die bij het gebruik niet van plaats verandert, cn wat nu
beweegbare zijn, is duidelijk.
In dit werktuig is, even als in het windas, een hefboom
ab aanwezig, waarvan het rustpunt zich in c bevindt, en
de beide armen ac en 6 c even lang zijn. Om evenwigt te
maken moet dus de kracht in k even zoo groot zijn als de
last / zwaar is, zelfs nog iets grooter, dewijl de stijfheiden
wrijving der touwen de vrije beweging belemmeren; magt
en last doorloopen ook in denzelfden tijd gelijke ruimte;
men wint dus door de katrol niets dan verandering van
rigting der kracht; en juist hierdoor is er bijna
geen werktuig, dat zooveel gemak geeft Ja, we-
gens hare geschiktheid om naar verkiezing de
kracht te rigten, brengt zij zelfs meer voordeel
aan dan menig werktuig, waarin eene geringe
kracht eenen grooten last verplaatst.
Ten einde de kracht de gewenschte rigting te
geven, is evenwel dikwerf ééne katrol niet vol-
doende. Men gebruikt er, bij voorbeeld bij het
ophijschen van turf of andere zware lasten naar
de bovenverdiepingen van een gebouw, twee, en
wel ééne boven aan, en ééne nabij den grond.
Door zulk eene zamenstelling kan de kracht van
eenige mannen of een paard evenwijdig aan den
grond,dat is horizontaal werken, en toch de last naar boven gevoerd worden.
Door eene vaste katrol kan een mensch zich ze'ven tot eene groote hoogte op-
trekken of tot eene aanzienlijke diepte aflaten; het eene einde l (fig 66) van het
touw wordt dan aan eenen stoel of een plankje bevestigd, waarop zich de