Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
Fig. 58a
C haar draaipunt en C Z de tong of naald voorstellen. Stellen wij, dat zij in
evenwigt is, wanneer aan iederen ami Ppond hangt. Laat de balans zelve Q pond
wegen. De aangrijpingspunten der krachten P en Q liggen in de ojdiangpuntm
A en B en in het zwaartepunt D. Omdat het drie krachten zijn, die in evenwij.
dige rigtingen AP, B P cn D Q werken, zoo valt het gemakkelijk te zien, dat
de resultante gelijk zal zijn aan P -j- P Q of 2 P -f- Q^" haar aangrijpings-
punt moet liggen in N, juist in het midden van de lijn A B. Wij stellen ons dus
voor, dat in N, onder het rustpunt, twee gewigten 2 P en Q aan een gewigtloo-
zen hefboom hangen. Zij nu m het gewigtje, dat men bij P voegt, om een' door-
slag tot stand te brengen, en laten de getittelde lijnen de rigting afbeelden,
die de balans na dien doorslag verkrijgt; dan is a b de lengte as; het zwaarte-
punt D isverplaatst totinrf, het midden der lengte tot in n, maar het rustpunt
is in c gebleven. Aan den hefboom a b hangen nu de gewigten of werken
de krachten Q, 2 P en m, en bare aangrijpingspunten liggen in r, n en a
Trekt men nu uit het rustpunt c op de rigtingen gQ\fP en am, waarin
de krachten werken, de loodlijnen cg, cf, en c h, dan zal er evenwigt be-
staan, wanneer (Q X c 5^) -f- (2P X cf), welke som de hoeveelheid van kracht