Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
van den hefboom vereenigd kunnen denken. Dit gewigt p kan dus beschouwd
worden te werken aan den arm cd. De hoeveelheid van beweging, die wij dus
aan den arm a c verkrijgen, is/) X cd en wj X ac. De som dier beide produc-
ten drukt het vermogen uit, waarmede de arm a c om het punt c naar beneden
zal draaijen. Dit moet door de kracht, aan den arm b c aangebragt, belet wor-
den. Waredus het gewigt k voldoende, om met w evenwigt te maken, aan eenen
wiskundigen of gewigtloozen hefboom, dat is ware u> X ac-^^k X bc, zoo zal
het draaijingsvermogen aan den arm ac, bij den hefboom, diep ponden weegt,
dat aan den arm i» c thans overtreffen, met eene hoeveelheid van beweging
p X cd. Men zal derhalve in b aan den arm b c een gewigt n moeten ophangen
van zulk eene zwaarte, dat n X bc gelijk is aanp X. cd. Wij zullen derhalve
evenwigt verkrijgen, wanneer wij hebben: (/) X cd) X a c) = (A: X b c)
c» X b c).
Zooveel acht ik voldoende, om de nog te vermeldene zaken wel te begrijpen.
Bedeiïkt bij de beschrijving der werktuigen wel, dat, wanneer de voorwaarden
tot verkrijging van evenwigt zijn vervuld, daaruit van zelve de voorwaarden tot
verbreking van dil evenwigt, of tot voortbrenging van beweging bekend zijn;
men behoeft daartoe slechts de eene of de andere der in evenwigt zijnde krachten
te vermeerderen of te verminderen.
Ten slotte verdient het vooral niet onopgemerkt te blijven, hoe de wijze God
in de leden van menschen en dieren een aantal hefboomen van de derde soort
heeft geplaatst, die bij weinige uitgebreidheid een verbazend vermogen uitoefe-
nen. De spieren, waarmede de armen, om slechts dit deel te noemen, zich be-
wegen, zijn bevestigd aan de armpijpen, zeer nabij de gewrichten, welke laatste
eigentlijk de steunpunten uitmaken, en die dus in den elleboog of den schouder
liggen. Het inkrimpen of zamentrekken dezer spieren voert de deelen, waaraan
zij bevestigd zijn, derhalve in het vooronderstelde geval ile armpijpen, mede,
en dit geschiedt zoo beknopt, dat, om den elleboog 20 duim te doen rijzen, de
schouders[)ier zich slechts 1 duim behoeft zamen te trekken. Dat deze spieren
eene verbazende kracht moeten bezitten, kunt gij opmaken uit hetgeen ik zoo
even van de hefboomen der derde soort heb gezegd. Indien men de hand, met
60 pond beladen, regt uitstrekt, hetgeen door eensteik mensch vrij gemakkelijk
gedaan wordt, zoo ontwikkelt zich hierdoor eene kracht in dc armspieren van
meer dan 1000 pond.
pa
s s I n g e n.
Waarom is het doelmatig, dat een kruijer zijnen last zoo ver mogehjk van de
handen legt, digt bij het wiel van den wagen?
Indien twee menschen eenen last aan een' stok vervoeren, waarom draagt hij
dan het meeste, die zich het digtst bij den last bevindt?
Indien diezelfde menschen zeer veel in lengteverschillen, «n zij bevinden zich
beiden even ver van den last, wie draagt dan het meeste?