Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
08
I Waarom is liet goed, dat bij liet opladen van -wagens de zwaarste voorwerpen
I onder gelegd worden?
Waarom is het dienstig, dat de pooten der kinderstoelen wijd uit elkander
I staan?
I Waarom verkrijgen het hobbelpaard en de wieg eene schommelende beweging
; en zetten zich de bekende duikelaartjes, van vlierpitten vervaardigd, en van
onderen van lood voorzien, altijd overeind ?
, Waarom vallen deuren en vensters toe, wanneer zij niet regt in de hengsels
hangen?
Waarom loopt men op stelten moeijelijker dan op de voeten?
Waarom worden, indien men van eenen stoel wil opstaan, de voeten eenig-
zins naar den stoel getrokken, of het lijf voorover gel>ogcn ?
Waarom gebruiken koorddansers een' langen, zwaren stok, en zien zij altijd
naar de koord, waarop zy dansen of loopen ?
Waarom ligten de dieren niet de beide linker- of regterpooten onder het
gaan op, maar doorgaans een' linker en een' regter ?
Waarom is de beweging onzer armen onder het gaan met de beweging der
dieren, zoo even vermeld, eenigermate gelijksoortig?
DRIE EN TWINTIGSTE LES.
De enkelvoudige werktuigen. De hefboom.
Wij zullen thans pogen aan te toonen, hoe de kennis van de wijze,
waarop de krachten beweging voortbrengen, dienen kan, om de kracht tot voort-
brenging van beweging door middel van werktuigen het voordeeligst aan te wen-
den. Wij treden dan hier op het gebied der werktuigkunde; maar daar deze,
als wetenschap op zich zelve, in eene menigte andere geschriften behandeld
wordt, zoo zullen wij er alleen zooveel van zeggen, als noodig is, om de ge-
schiktheid, inrigting en aanwending van zulke werktuigen te kunnen béoor-
deelen, welke later zullen worden vermeld, en die vereischt worden, tot beves-
tiging of opsporing der te vermelden natuurwetten.
Een werktuig noemt men elke inrigting, elke zamenstelling, die dient, om
eene kracht aan te wenden of werkzaam te maken, op een punt, dat niet in
de rigting dier kracht ligt, om alzoo eene andere kracht, die aan de eerste we-
derstand biedt, te overwinnen. De wederstand, die door het werktuig moet
overwonnen worden, noemt men last Indien men aaneen touw trekt, dat over
eene draaijende schijf of rol loopt en aan het einde van dit touw is een zwaar
ligchaam gehecht, zoo is dat ligchaam delast, de schijf met het touw het werktuig,
en het vermogen, dat aan het andere eind van het touw wordt aangewend, om
de wederstand bieding van den last te overwinnen, heet bij uitnemendheid kracht
of wel maßt.