Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
lagere plaats kau iniieiuei), zoo noemt men zulk eene ligging omlandvasiuj, wankel-
baar {hisiabiel).
Onder de voorregten, den mensch door God geschonken, behoort ook vooral
gerangschikt te worden het vermogen, om ons vaststaande te kunnen houden
op zulk eeue kleine grondvlakte, als de voeten beslaan, en hiertoe in staat te
zijn in alle standenen plaatsveranderingen. Het zwaartepunt van het mensche-
lijk ligchaam ligt ter hoogte van deu onderbuik, en de loodlijn, uit dat punt
ned?rgelaten, valt, wanneer wij regt opstaan, tusschen de beide voeten. Draagt
de mensch eene groote vracht voor het lijf, dan verplaatst zich het zwaartepunt
naar voren; daarom buigt hij, die draagt, zich achterover, waardoor hij de
loodlyn, uit het zwaartepunt vallende, tusschen de voeten houdt. "^Is hij op
den rug zwaar belatlen, dan loopt hij voorover, zoodat het zwaartepunt niet
achter de hielen valt, en hij geen gevaar kan loopen van achterover te slaan.
Draagt hij aan de eene hand eenen emmer met water, dan verplaatst zich het
zwaartepunt naar de zijde, en hij strekt den anderen arm wijd van het lijf, zoo-
dat deze verplaatsing wordt voorgekomen.
Dat er oefening toe noodig is, om de rigtingslijn van het zwaartepunt des
ligcbaams altijd tusschen de voeten te houden, bewijst de schoinmeleude of wag-
gelende gang van een jong kind, dat pas begint te loopen.
De vogels verplaatsen hun zwaartepunt insgelijks op eene opmerkelijke wijze
naarmate hun stand veramlert. Zijn zij in rust, cu ligt dan de kop tusschen
de vleugels, zoo bevindt zich het zwaartepunt midden in het ligchaam. Loopen
zij, dan worden de kop en hals overeind gebragt, en gezegd punt rijst en gaat
naar voren. Zweiniuen zij, dan wordt dc hals iets teruggetrokken, en het zwaar-
tepunt trekt meer naar achter. Kindelijk bevindt zich dit punt het laagst en
meest voorwiurts, indien de vogel vliegt en den hals dus ver vooruit strekt.
Het zwaarte[)unt van boomen en planten is doorgaans boven het steunpunt
eene plaats aangewezen; daardoor kunnen ilan ook piju-, dennen-, en popu-
lierboomen tot op zulk eene aanzienlijke hoogte hunne kruinen boven de aarde
verheffen. Ontstaat evenwel door andere krachten indien regten stand eenige
afwijking, dan werken kruin en wortels mede om het evenwigt te bewaren.
Veel valt er nog over dit onderwerp te zeggen, maar wij achten het boven-
staande voor deze beginselen voldoende.
Toepassingen.
Waarom zijn hooge diligences, en in het algemeen hoog opgeladene wagens,
zoo gevaarlijk? (Hier denke men aan den schuinen stantl, dien zulk een voertuig
soms verkrijgt, waardoor de rigtingslijn van het hoog gelegene zwaartepunt
buiten de wielen zou vallen).
Waarom zal een wagen met ho<ji geladen meer gevaar loopen van OiH te slaan,
dan een met eene gelijke vracht steen beladen ?