Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Fis- 44-
125
en gelijkmatig gevormd zijn en dus niet, zooals men dit noemt, Aomo^m» zijn,
vindt men het zwaartepunt niet zoo gemakkelijk; hiertoe behoort wiskundige
kennis. Zoo veel is echter gebleken, dat het zwaartepunt altijd het meest na;n*
die zijde van. het ligchaam ligt, alwaar de meeste stofdeelen aanwezig zijn,
waar het ligchaam de grootste uitgebreidheid heeft, of, zoo het uit verschillende
stoffen is zamengesteld, waar dit het zwaarste is.
Is de schijf a 6 (fig. 44) dezelfde stof, en overal even dik, dan zal
het zwaartepunt in het middelpunt m gelegen zijn;
doch is zij van hout en hakt men er eene opening h in,
en vult men die met lood, dan zal het zwaartepinit na-
tuurlijk veranderen, en nabij dit lood liggen, by voor-
beeld in z. Zulk eene schijf levert het voor den onna-
denkende vreemdsoortige verschijnsel op, van tegen een
hellend vlak te kunnen oploopen, indien men het zwaar-
tepunt z maar eenigzins boven aan brengt.
Het oploopen tegen een hellend vlak kan men ook
schijnbaar zien plaats grijpen, ingeval een biljartbal a
(fig. 45) gelegd wordt op de
Fij. 45.
dunne einden b en d van
twee biljartstokken b c en
en de, welke met het dun-
ste gedeelte aan elkander
raken, maar met de dikste
einden c en c eenigermate
van elkander af liggen. De bal zal onder die voorwaarden van a naar rolleji,
en het schijnt dus, dat hij van de laagte naar de hoogte beweegt; hij daalt ech-
ter werkelijk; want het zwaartepunt, hier het middelpunt van den bal, ligt in
a hooger dan in a'. Eene vermakelijke j)roeve, insgelijks tot bewijs strekkende,
dat het zwaartepunt altijd den laagsten stand tracht in te nemen, bestaat hierin:
legt op de tafcl een gedeelte a ƒ van een' stok b a (fig. 46), waarin van onder in
d een keepje is gemaakt; — hangt aan
dezen eenen emmer met water, met het
hengsel zoo digt mogelijk tegen de lafel;
neemt vervolgens een stokje of latje c d,
zoo lang, dat het, wanneer het in het
keepje d sluit, met het andere einde te-
gen den bodem c van den emmer reikt,
en, wat meer is, dezen eenigzins onder het
blad der tafel doet achtei'uit wijken. Wan-
neer dit verrigt is, kunt gij den emmer gerustelijk los laten, hij zal niet val-
len. Wat is de reden van dit verschijnsel? waarom kantelt de stok met het veel
zwaardere einde ƒi) niet om, en tuimelt de emmer niet op den grond ? — Dit ligt
Ftg. 46.