Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
Een aarden tabakspijp kan mRu op dergebjke wijze iri evenwigt leggen, mits
men den vinger veel nader bij den kop dan bij het einde van den steel brenge.
Waarom valt nu het liniaal of de pijp niet? Omdat de wederstandbieding
van den vinger in evenwigt is met de aantrekkingskracht, die de aarde op het
geheele ligchaam uitoefent.
Zet men op beide deelen van het liniaal, ter wederzijde van den vinger, op
gelijken afstand van dezen, gelijke gewigten; plaatst men er eenige juist boven en
hangt men weder andere juist onder het punt, dat door den vinger ondersteund
wordt en dat men ook wel steun- of rustpunt noemt, ook dan zal er evenwigt
blijven bestaan.
Zulk een punt, dat, ondersteund wordende, het geheele ligchaam belet, naar den
eenen of anderen kant over te vallen, hebben alle ligchamen. Men noemt dit zwaarte-
punt. In dat zwaartepunt kan men het geheele gewigt van een ligchaam veree-
nigd denken, dat wil zeggen, men kan aannemen, dat op die plaats de aarde
eeue aantrekkingskracht uitoefent, gelijk aan de som van al de evenwijdig wer-
kende krachten, waardoor elk afzonderlijk deeltje van het ligchaam wordt
aangedaan (zie de lö^e les). Die kracht is dus de resultante van al die gedeelte-
lijke krachten; hare grootte is gelijk aan het gewigt des ligcbaams; haar aan-
grijpingspunt is het zwaartepunt, en hare rigting vindt men door eene liju te
trekken, die het middelpunt der aarde met het zwaartepunt vereenigt.
Hel zwaartepunt kan in een ligchaam niet veranderen, hoe men ook het ligchaam
legge. Wel zal het inde ruimte moeten rijzen endalen, als het geheele ligchaam
of een gedeelte er van rijst of daalt, maar het zal in het ligchaam op dezelfde
plaats blijven, aangezien de aantrekking der bijzondere 4eelen dezelfde blijft.
Hangt men een ligchaam op, legt of zet men het ergens neder, altijd zal het
zwaartepunt neiging hebben om zich te bewegen in de loodlijn, die uit dat punt op
de aarde valt, dat is, in de rigting van de zwaartekracht der aarde. Het zwïiar-
tepunt zal dus ook immer den laagsten stand trachten te bereiken; want ieder
ligchaam toont eene neiging te bezitten, om zoo na mogelijk aan het middelpunt
der aarde te komen. Jlangt derhalve een ligchaam, dan bevindt zich het zwaar-
tepunt juist onder het ophangpunt; want dit is de laagste stand, dien het kan
l>ereiken; het ligchaam zal zoo lang slingeren, tot beide punten in eene lijn lig-
gen; wij merkten dit reeds bij den slinger op. Heeft het ligchaam geen ophang-
maar een steunpunt, ook dan zal het, wanneer zulks niet belet wordt, zich be-
wegen, omkantelen, omrollen of omvallen, tot het zwaartepunt den laagsten
stand heeft bereikt.
Het zoo even gezegde verschaft ons bij sommige regelmatige ligchamen een
zeer eenvoudig middel, om het zwaartepunt te leeren kennen. Zoeken wij het
hij eeuen houten driehoek abc (fig. 41)« Hangt hem daartoe op aan het punt c,
en teekent de rigting cc van den draail dc op den driehoek aan. Nu is men
overtuigd, dat het zwaartepunt van den driehoek in de liju cc zal liggen, want
in deze hjn bevinden zich alle punten, die juist onder het oph:ingpunl gelegen