Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
ïlieruit blijkt dat het afloopen en rijzen van het water met den stand der
maan in verband staat; en juist dit wilde ik aantoonen.
Fig. 37.

Zij (fig. 37) Z de zon, ghtk de omtrek der aarde onder de evemuichLslijn, a
haar middelpunt, en abcd baar loopkring om de zon . Denke men haar ver-
der geheel met water omringd. Zij vervolgens e de maan, en enlv hare loo(j-
baan om de aarde; n haar stand bij nieuwe maan, e die bij eerste kwartier,
V bij vollemaan, en /bij laatste kwartier. Nemen wij aan dat het nieuwe maan
is en dat zij zich dus in n bevindt; in dien stand oefent zij op het punt k\ der
aarde eene groote aantrekkingskracht uit. Hierdoor verheft zich het water in
k. dat bij gevolg van de plaatsen g en i naar k moet wegvloeijen. In het punt
h, juist tegenover A-, kan dit echter niet plaats hebben, het hoopt zich daar even
als in k op, en waarom? — De aarde rukt voort naar /», en het punt k legt der-
halve eenen weg k m af, veel kleiner dan de weg hƒ, die het punt h doorlooi)t.
Tn fi is dien ten gevolge de middelpuntvliedende kracht veel sterker dan in k.
Het water is alzoo geneigd om in h van de aarde weg te vlieden; maar de aan-
trekkingskracht van deze grooter zijnde dan de vliedkracht, zoo kan de werking
zich slechts tot eene ophooping van de vloeistof bepalen. Het is nu op twee
plaatsen, en derzelver omgelegene deelen, vloed, namelijk in k en A, terwijl
in de punten g en i en wat daar in de nabijheid ligt de ebbe aanvangt. De aarde
draait intusschen in 24 uren om zich zelve, zoodat zij in 6 uren tijds een vierde
van dezen omloop heeft volbragt, waardoor het punt k in i, i in A, h in ^ en
g m k gekomen is. De plaatsen, welke 6 uren vroeger vloed of ebbe hebben
gehad, ontwaren thans ebbe of vloed. Is de maan op hare baan voortgewenteld ik