Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
welke zich de aarde langs ad beweegt, brengen, in gevolge het vroeger bere-
deneerde, eene rondgaande beweging voort. De aarde wentelt alzoo om de zon,
even als de steen in de slingerkooril om de hand, en blijft eeuwig wentelen,
daar geene middelstof haar in haren loop kan belemmeren.
Waarom de lijn, die de aarde om de zon beschrijft, eigentlijk geen cirkel
maar een langwerpig rond of ellips is, kan hier niet worden ontvouwd. In-
dien gij over de beweging der hemelbollen zeer veel merkwaardigs verlangt te
lezen, zoo beveel ik n in de eerste plaats Kaiser's sterrenhemel of ook wel de
Cosmographische lessen van den hoogleeraar de Celder aan.
Ziedaar dan de beide krachten, volgens welke Newton ontdekte, dat de
eeuwige Wijsheid het geheele planeten-of zonnestelsel ja het geheele stelsel van
werelden in de volmaaktste orde in stand houdt. —
Aan sommige bollen gaf de Heer der Schepping eenen sterkeren zijdelingsehen
stoot dan aan de aarde, en daardoor beschrijven zij eene veel meer langwerpige
baan om de zon dan deze; zij verwijderen zich alzoo voor eenen tijd lang van
dit hemellicht, om het eindelijk weder te naderen. Zulke zeer langwerpige ba-
nen doorloopen de kometen of staartsterren. Deze merkwaardige ligchamen
worden alzoo genoemd naar den lichtenden staart, welken zij aan de, van de
zon afgekeerde, zijde bezit( en, en die bij sommige, zooals bij de komeet, inden
jare 1842 aan den hemel verschenen, eene zeer aanmerkelijke lengte heeft.
Hunne langwerpige banen doorsnijden die der planeten op eene merkwaardige
wijze, en de tijd, dien zij tot haren loop besteden (somtijds meer dan 1000 ja-
ren) getuigt van de onbegrijpelijke uitgebreidheid der hemelruimte. In j)laats
van dus, door bijgeloovige vrees gedreven, deze eigenaardige verschijnselen aan
den sterrenhemel, als voorboden van pest, oorlog, hongersnood of eenig ander
onheil aan te zien, zooals in vroegere tijden het geval was, zijn zij middelen
om onzen eerbied voor den Schepper op te wekken. Bedenkt men er bij, dat de
loop dier kometen en hare wederverschijning aan den sterrenhemel met eene
verwonderlijke naauwkeurigheid kan berekend worden, en dat derhalve in
de" schijnbare onregelmatiglieid van loop dezelfde wetten, als boven genoemd
zijn, bestaan, dan aanbidden wij de wijsheid des Almagtigen, die naar zulke
eenvoudige wetten zulk een trotsch geheel tot stand bragt. Dat wij nog korte-
lijk de oorzaak van ebbe en vloed onderzoeken !
Vloed noemt men het zwellen en rijzen der zee. Heeft het water op zeker
aarddeel eenmaal zijnen hoog sten stand bereikt, dan houdt deze een kwartier
of half nnr aan; vervolgens begint het water gedurende zes uren te dalen, en
dit noemt men ebbe. De laagste stand van het water duurt insgelijks een kwar-
tier of half uur; daarna rijst het weder zes uren, en men heeft dus opnieuw
vloed. Zoo wisselen deze waterstanden elkander geregeld af. Gedurende het
eerste en laatste kwartier der maan is de vloed het minst hoog; maar bij
nieuwe en volle maan het aanzienlijkst, welken vloed men alsdan sptingvloed
noemt.