Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
door heen geschoven kan worden. Draait men nu dezen toestel snel in de
rondte, zooverliezen de banden a hunnen cirkelvorm en gaan over tot den af-
geplatten vorm, die door tittels is uitgedrukt.
Onder de bewijzen voor de platrondheid der aarde telt men voornamelijk de
proeve met tien secondeslinger. Wanneer men dezen op de evennachtslijn regelt,
zoodat hij 24 x 60 X 60 84600 malen in de 24 uren slingert, bevindt
men, dat die slinger in de nabijheid der polen een grooter aantal slingeringen
in dat tijdsverloop volbrengt; met andere woorden, dal hij sneller loopt, en
derhalve moet verlengd worden, ten einde nog een secondeslinger te blijven
(zie de 3'wet aangaande den slinger). Dit hangt nu wel gedeeltelijk daarvan af,
dat de ligchamen onder de evennachtslijn minder zwaarte hebben, dewijl al-
daar de zwaartekracht door de middelpuntvliedende kracht belangrijk wordt
tegengewerkt; echter is het verschil te groot, om ook niet een gedeelte er van
te moeten toeschrijven daaraan, dat men aau de polen zich op eenen kleineren
afstand van het middelpunt der aarde bpvindt dan op de evennachtslijn. En deze
vooronderstelling werd tot zekerheid gebragt, toen men ontdekte, dat door be-
rekening dezelfde uitkomsten als door de proefneming werdeu verkregen, Alzoo
is dan hierdoor ook de reden bekend, waarom de ligchamen niet op alle plaat-
sen der aarde even snel vallen, hetgeen ik vroeger reeds aanmerkte.
De verklaring van den invloed, dien de snelle omwenteling der aarde, be-
halve op de zwaarte der ligchamen ook nog op de stroomen der zee en die vaii
den dampkring of op de winden kan hebben, behoort eigentlijk tot het gebied
der natuurkundige aardrijksbeschrijving.
Het is u bekend, dat de aarde ook eene beweging om de zon heeft, en dat wij
door die beweging in het jaar tyds, dat zij daartoe besteedt, de jaargetijden
vex'krijgen Deze omwenteling geschiedt nog veel sneller dan die om zich zelve ;
zij legt bij haren jaarlijkschen loop omtrent 6
uren af in iedex'c seconde. Belaugryk is de
vraag: waardoor wordt dezelooj) voortgebragt?
Zij z (zie fig. 36) de zon, a de aarde. Door de
meerdere uitgebreidheid van het eerste hemel-
ligchaam boven het laatste (zie de l^^^les), wordt
de aarde in de rigting ac, ten gevolge der
zwaartekracht, naar de zon bewogen, en zij zou
hierop weldra vallen, indieu de Schepper haar
geene zijdelingsche beweging had gegeven,
waardoor zij volgens de lijn ab met eenparige
snelheid door het hemelruim moest snellen.
Deze kracht was dus niet anders dan eene mid-
delpuntvliedende kracht.
De twee genoemde krachten, de aantrekkings- en middelpuntvliedende
kracht, wier grootte ik door de lijnen ac cii ab zal voorstellen, en tusschen
Fig. 36.