Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
Fig. 35.
f
f/^ c

11 w
d\
m___
Er is gezegd, dat naar alle waarschijnlijkheid de aarde bij hare wording uit
eene vloeibare zelfstandigheid heeft bestaan. Deze vloeistof moest, zoo zij in
rust ware, volgens hetgeen wij over de ligging der atomen bij de vloeistoffen
hebben gezegd (zie de 10^« les), eene ronde gedaante aannemen. Evenwel zij was
niet in rust. De Schepper gaf haar eene beweging om zich zelve, waardoor
wij dag en nacht verkrijgen. Deze beweging is zeer snel; want de omtrek der
aarde, gemeten over het midden of onder de evennachtslijn, is 7200 uren lang
en dus legt elk punt op die lijn ook 7200 uren in 24 uren af. Wat moet van
deze buitengewoon snelle beweging het gevolg zijn ? Dat wij dit onderzoeken!
Zij abc d (fig. 35) de bolronde gedaante
der aarde, de gedaante namelijk, die zij
zou hebben aangenomen, wanneer zij in
rust ware geweest. Stellen wij nu, dat zij
om dc as a c begint rond te draaijen,
dan zal de middelpuntvliedende kracht op
de plaatsen b en rf, of onder de evennachts-
lijn, veel grooter zijn dan bij de punten
ö, e, /", c,h ofi; want al de middelpun-
tender beweging van die deelen liggen in
de as a c, en elk bewegend deel heeft der-
halve eenen kleineren afstand van die as,
naarmate het digter bij de polen a en c ligt (zie verder de wet inde IS^e
les). Door deze grootere middelpuntvliedende kracht onder of nabij de even-
nachtslijn, moeten de stofdeelen van de polen a en c langs ƒ en c, It cn i naar
^ en A: wegvloeijen. De middellijn g k der aarde zal dus grooter moeten worden
dan de as l m, en de bol de gedaante l g m k of die van een* chinaasappel moe'
ten verkrijgen- Wij zien dit ook bij de aarde bevestigd. Zij heeft eene lang-
werpig ronde gedaante. De afplatting is echter niet zeer sterk, want, verdeelt
men de kortste middellijn of de as / m in 340 gelyke deelen, dan heeft de
langste^ A:341 van die deelen. De afplatting
bij de planeten Jupiter en Saturnus is veel
grooter, maar hare omwenteling om zich
zeiven is ook veel sneller dan die der aarde.
Zoo bevestigt ook deze waarneming het bo-
ven gezegde. Zeer goed laat zich de afplatting
der aarde ten gevolge der omwenteling bewij-
zen, door een werktuigje in fig. 35a voorge
steld, en dat men plaatst op de as D in fig.
27a. liet bestaat uit zeer dunne, cirkelvormig
gebogene banden van geelkoper a a, die on-
der in 6 op de staaf of de as 6 c bevestigd
zijn, maar welke as er boven bij c gemakkelijk
Fig. 35a.