Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
de beide staven ac en de langer worden, en de slinger zal dns niet meer zijne
behoorlijke lengte behouden, indien de koperstaaf ƒ g alleen zich niet evenveel
als de beide staven ca en rf e te zamen, en dus naar evenredigheid
Fig 33. meer dan deze, uitzette; doch dit heeft naar behooren plaats: ge-
^ zegde staaf fg dringt door hare verlenging het gedeelte ƒr/ meer
naar boven, dan zij cg ».aar beneden kan ver[)laatsen, wordende
hierin door het ophangpunt verhinderd. Dit naar-boven-voeren
bedraagt altijd juist zooveel, als ac e\\ de zich naar beneden kun-
nen uitzetten, en derhalve blijven de punten a en h hunnen af-
stand, of de slinger zijne ware lengte behouden. Weet, dat de
afbeelding, hier van den compensatie-slinger v oorgelegd , slechts
dient om een denkbeeld van de zaak te geven. Slingers, op zulk
eene gebrekkige wijze gemaakt, bestaan er niet, maar hunne in-
rigting komt echter op het ontvouwde beginsel neder. De vin-
dingrijke wijze van zamenstelling van sommige dezer werktuigen
dringt ons tot bewondering, en levert eene schoone proeve op, hoe-
zeer het menschelijk vernuft het schijnbaar onmogelijke kan over-
winnen.
Bij de gewone uurwerken wordt door eene schroef, welke zich
aan de einden van de slingerkoord bevindt, de lengte geregeld; bij den te
snellen loop cloor uitschroeving verlengd, en bij eenen te langzamen gang
door opschroeven verkort.
Gaarna deelde ik u nog mede de wijze, waarop men de lengte van den
slinger, die in zekeren tijd eene schommeling moet volbrengen, berekent,
doch het regt begrip daarvan vordert eene tamelijke mate van bedre-
venheid in de Mathesis. Die berekening grondt zich op het behanitelde
bij fig. 29a. Denkt dat er eene lijn van M naar D getrokken is, in I)
zich dus de slinger en in M zijn ophangpunt bevindt. Wanneer de
slinger dus van D naar H langs D H valt, zal een vrijvallend ligchaam
den weg van A tot H oï 2 malen de lengte van den slinger doorgeloopen zijn;
en wanneer de slinger eene geheele slingering beeft volbragt, zal zulk een vrij-
vallend ligchaam 4 malen de slingerlengte afleggen. Wij hebben hier intus-
schen aangenomen, dat het slingerend ligchaam langs de koorde D H liep, en
het geschiedt langs den cirkelboog. Dit maakt juist de berekening meer zamen-
gesteld. De opgave van den volgenden regel moge u tot aansporing verstrekken,
om u in de wiskunde zoodanig te bekwamen, dat gij de juistheid daarvan naar
eisch kunt betoogen : om de lengte van eenen slinger te vinden, die een gesteld ge-
tal seconden over elke slingering besteedt, vermenigvuldigt men het vierkant van het
getal seconden, die men den slinger over iedere schommeling tvil doen besteden, met
het getal 9,8, dat de verMielling uitdrukt van een vrijvallend ligchaam, op
het einde van eene seconde, en deelt dit pivduct door het vierkant van hel geUil
3,1416, dat de betrekking van den cirkelomtrek tot de middellijn te kennen geeft.