Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
87
Fig. 32.
«lat hij dan zoo veel grooter' weg heeft te doorloopen. Ik wil pogen, u ook hier-
van eene bevattelijke verklaj-ing te geven.
Het middelpunt van den bol, of de lens vaneenen slinger, doorloopt bij elke
schommeling een gedeelte van den omtrek eens cirkels. Zet het eene been van
den passer in b (fig. 32), en gij kunt met het an-
dere op eenen afstand ba, welke men den straal
noemt, den weg ac beschrijven. Bij eene gerin-
gere opening der beenen, van b tot d bij voor-
beeld, of met den straal bd, kunt gij den weg de
van den slinger bd aangeven. Het ligchaam zal
natuurlijk gaauwer den weg r/c afloopcndan a den
zijnen ca, want de hellingen verschillen hier niet.
Omdat nu alle cirkelomtrekken, en ook hunne ge-
hjknamige deelen, in dezelfde reden grooter worden
als hunne stralen aangroeijen, zoo zal ac zooveel
malen grooter zijn dan de, alsórt malen grooter is
dan bd. Neemt nu nog in aanmerking, dat alle vallende ligchamen, om het
even of zij vrij, langs eene helling, of eene gebogene lijn vallen, in 2 seconden 4
malen, in 3 seconden 9malen, enz. zooveel wegs afleggen als in 1 seconde, dan
is het klaar dat, indien de in eene seconde door den kleinen slinger wordt af-
gelegd, en c a in twee seconden door den grooten, ook die weg ca ^ malen zoo
groot zal moeten zijn als rfe; men moet derhalve, om dien boog 4 nialen zoo
groot te verkrijgen, A fl, of de lengte des grooten slingers, 4 ïnalt?" zoo groot ne-
men, als die {bd) van den kleinen. Dit moge genoeg zijn, om u een denkbeeld
van de zaak te geven.
Uit die laatste wet blijkt, dat de minste verandering in de lengte van den
slinger invloed moet hebben op den gang der uurwerken ; dat dus de warmte,
die door haar uitzettingsvermogen den slinger langer maakt, en de koude, die
hem doet inkrimpen, den geregelden gang der tijdmeters zullen verstoren. Men
heeft berekend, dat dit in den zomer en winter zelfs een verschil van 6 seconden
in 24 uren bij den seconde-slinger zou kunnen geven. In dit gebrek heeft het
vindingrijk vernuft des menschen echter voorzien, en wel door de uitvinding
der compensatie- of gelijkmakende slingers, zulke namelijk, die door de wijze
van zamenstelling niet van lengte veranderen kunnen. De vervaardiging van
deze fraaije slingers berust alleen op de waarheid, dat niet alle stoffen evenveel
uitzetten. Eene geel-koperen staaf of eene van zink wordt toch veel langer dan
eene stalen van gelijke lengte. Deze zinrijke uitvinding hebben wij te danken
aan den Engelschman Graham, die in de eerste helft der achttiende eeuw
leefde.
Neemt eens aan, dat a' b (keerzijde fig. 33) zulk een' compensatie-slinger
voorstelt, en dat ieder deel a c en de van staal en het middelste fg van geel-
koper of messing is; bij deze inrigting zullen, door het uitzetten van het staal,