Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
mm
WP
86
Fig. 31.
/
/

gelijktijdige schommelingen op deze
wijze verklaren. Indien de slinger a
^fig. 31) zich van c naar a beweegt,
is de helling ac, langs welke wij ons
kunnen voorstellen, dat het ligchaam
a valt, minder schuin dan de helling
d c, waar langs de slinger daalt,
zoo men hem eene grootere slinge-
ring geeft. Bij gevolg is de bewe-
ging, bij het afleggen van eenen
grooten boog d a, veel sneller dan die
bij het doorloopen vau eenen klei-
nen afstand c ci; bij meerdere lengte komt dan ook meerdere snelheid, en de ge-
lijkheid der lijden wordt bewaard.
Worden evenwel de bogen wat zeer groot, zoo is het verschil in den duur
der schommelingen merkbaar. Teneinde echter deze in alle mogelijke gevallen
in gelijke tijden te doen volbrengen, vond onze wereldberoemde landgenoot
Huijgens, die den slinger het eerst met de uurwerken in verband bragt, een
middel uit, dat alleen genoegzaam zou geweest zijn, omzijn' naam aan de ver-
getelheid te ontrukken. Welkeen middel dit is, kan hier niet worden vermeld,
liet zij u genoeg te weten, dat hij op eene wiskunstige wijze den slinger nood-
zaakte, om, bij het doorloopen van groote afstanden, zich langs bogen te be-
wegen, die aan de einden b eu d (fig. 31) nog steiler waren dan bij eenen cir-
kelomtrek hel geval is.
De tweede wet is, dat de grootte en zwaarte van den bal des slingers geencn in-
vloed heeft op den tijd zijner schommelingen.
Dit hangt volmaakt zamen met hetgeen er gezegd is aangaande de gelijke
snelheid, waarmede verschillende ongelijksoortige ligchamen naar de aardop-
pervlakte worden bev/ogen. De gelijke slingeringen van eenen ivoren of looden
bal, aan even lange draden gehangen, strekken dus op nieuw ten bewijze, dat
de zwaartekracht op alle ligchamen altijd op dezelfUe wijze werkt, en de aarde
ze allen even snel tot zich voert.
De derde wet luidt, dat de tijden, die slingers van verschillende lengte tot eene
schommeling besteden, tot elkander staan als de vierkantswortels uil hunne lengten.
Stelt, bij voorbeeld, dat een slinger van 1 el lengte een seconde-slinger is, of
wat hetzelfde is, dat hij eene seconde tijds behoeft, om eene geheele schomme-
ling te volbrengen, dan zal een slinger van 4 el lengte 2 seconden, een van 9 el
lengte 3 seconden, enz. over eene schommeling besteden. Alzoo doet de eerste
2 schommelingen, tegen dat de tweede er 1 doet, en 3, tegen dat de laatste er
insgelijks écne volbragt heeft. Hieruit blijkt dat, hoe langerde slinger is, hoe
meer tijds hij zal noodig hebben voor eene schommeling, en hoe minder malen
hij dan ook in eenen gestelden tijd eene geheele slingering zal maken; en wel, om-