Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Fig. 28.
82
echter noodzakelijk, om eerst den val van een ligchaam, zoo als die langs eene
helling, of een hellend vlak geschiedt, en welke men daarom dc val langs het hel-
lend vlak heeft genoemd, te beschouwen.
Wat is een hellend vlak? Iedere vlakte, die niet loodregt staat, maar op het vlak
van den horizon helt, dat is, met den horizon eenen hoek maakt, noemt men hellend
vlak.
Zij 6 c (fig 28) zulk een hellend vlak, a een ligchaam, dat er zich langs be-
weegt, u d rigting van den horizon. Indien nu de
lijn ae de rigting en grootte der zwaartekracht in een
zeer klein tijddeel voorstelt, dan kan men deze in twee
andere krachten af an a g ontbinden; af toont dan aan
met welke kracht het ligchaam tegen het vlak drukt en
waardoor het derhalve in zijnen val belemmerd wordt,
terwijl ag het gedeelte der ontbondene kracht is, het-
welk den val of loop langs 6 c te weeg brengt. De kracht
a g blijft op elke plaats van het vlak b c, in alle gelijke
tijddeelen dezelfde, immers de zwaartekracht a c veran-
dert evenmin. Diekracht is dus eene standvastige kracht,
en het ligchaam a beweegt zich dien ten gevolge met eene
eenparig versnellende beweging langs het hellend vlak;
evenwel met mindere snelheid, dan wanneer het loodregt vrij naar beneden kou
vallen: eene vergelijking tusschen de lengte der lijnen eie tnag loont dit ten
duidelijkste aan. In den tyd namelijk, dat het ligchaam a tot in e zou gevallen
zijn, is het langs het hellend \lak tot in^ bewogen. Dit maakt ons bekend met
de oplossing van een belangrijk vraagstuk. Stelt namelijk cd (zie fig. 29) weder
de zwaartekracht der aarde voor,
of den weg, dien een ligchaam in
zekere tijdseenheid doorloopt, dan
moet men uit d eene loodlijn de
op het ^lak 6 f laten vallen , ten
einde de plaats e te kennen, tot
waar het ligchaam, dat zich iu c
bevindt, langs de helling bc zal
gevorderd zijn, wanneer een an-
der ligchaam, uit c regtstandig naar beneden vallende, reeds het jmnt d zal
hebben bereikt. Gij ziet uit de figuur, dat de kracht cd ontbonden is. Dejdaats
t'kaninen voor elke helling van het vlak gemakkelijk bepalen, door op de verticale
lijn of de hoogte c deen halveu cirkel te beschrijven, die cd tol middelliju heeft.
Deze halve cirkel zal altijd gaan door het punt e, waar de loodlijn d e het vlak bc
ontmoet. De lijn ce wordt dan even als ed eene koorde van den cirkel genoemd.
Men kan dus zeggen, dat de koorde van een' cirkel in denzelfden tijd dooreen
ligchaam, dat langs die koorde valt, wordt doorloopen, waarin een vrij vallend lig-