Boekgegevens
Titel: Beknopt leerboek der planimetrie
Auteur: Kamp, H. v.d.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1894
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 682 G 43
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203584
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Planimetrie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopt leerboek der planimetrie
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
daar in het eerste geval de andere twee samen kleiner dan een rechte
Fig. 26.
hoek moeten zgn en in het tweede samen gelijk aan een rechten en dus
ieder Ideiner dan een rechte hoek.
De twee gelijke hoeken in een gelijkbeenigen driehoek moeten dus altijd
scherp zijn.
In een gelijkbeenigen driehoek heet de hoek, door de gelijke zijden ge-
vormd, tophoek, en de overstaande zijde grondlijn of basis.
Een driehoek met een stompen hoek heet stomphoekige driehoek, een drie-
hoek met een rechten hoek heet rechthoekige driehoek. Een driehoek met
3 scherpe hoeken heet scherphoekige driehoek. De zijde, tegenover den
rechten hoek, in een rechth. driehoek heet schuine zijde of hypotenusa.
Oefeningen. 1. "Wat weet ge van een gelijkb. driehoek met een top-
hoek van 60°?
2. Van een cirkel wordt de omtrek in zes gelijke deelen verdeeld; wat
weet ge van de driehoeken, gevormd door eene zijde en de stralen der
uiteinden? Wat volgt hieruit voor de zijde van dezen regelmatigen
zeshoek ?
3. Van een driehoek is de verhouding der hoeken = 2 : 3 : 4 ; hoe groot
zijn deze hoeken?
4. In een rechth. drieh. is één der scherpe hoeken 47° 15'31"; bereken
den anderen.
5. In een gelijkbeenigen driehoek is de tophoek de helft van elk der
hoeken aan de basis, hoe groot zijn de hoeken van dezen driehoek en wat
weet ge van de twee driehoeken, waarin hij wordt verdeeld door de lijn,
die één der hoeken aan de basis middendoor deelt?