Boekgegevens
Titel: De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Auteur: Steyn Parvé, Daniel Jan; Klöden
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. U b 11
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203572
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: tekenkunst: algemeen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
commissie, zamengesteld uit de eerste geleerden, zooals
Thénard, Mkriseée, enz. en de uitstekendste kunste-
naars (Garnier, Blondei,, enz.), en ook deze lieten
zich even gunstig er over uit. In hun verslag wordt
onder anderen gezegd: „ Het is zeer merkwaardig, met
welke naauwkeurigheid en naïviteit deze jongelieden de
omtrekken teekenen. Hunne vorderingen zijn zeer be-
vredigend, vooral als men den geringen tijd in aanmer-
king neemt, die hun voor het teekenonderwijs wordt
toegestaan, dat wekelijks slechts driemaal plaats heeft,
en telkens maar één uur duurt. Men heeft ons ver-
scheidene teekeningen naar de natuur getoond van leer-
lingen , die het verst vooruit waren, en toch slechts sedert
één jaar deze weinige lessen bijwonen. Deze teekenin-
gen hebben eene waarheid en eenvoudigheid, die men niet
ligt bij leerlingen volgens andere methoden vinden zal,
die sedert veel längeren tijd teekenen." Dit verslag van
het eerste ligchaam van kunstenaars, die men toch wel
het regt om een oordeel uit te spreken niet zal weige-
ren, was oorzaak, dat de Minister van Onderwijs, bij
een schrijven van 25 September 1832, de invoering van
de methode van den Heer A. Dupuis in het Koninklijke Col-
lege Louis Ie Grand en het College Henri IV voorschreef.
Intusschen volmaakte zich de methode al meer en meer.
Dit gaf aanleiding, dat de Fransehe Akademie der schoone
kunsten in het jaar 1834 eene nieuwe commissie van ge-
leerden en kunstenaars benoemde, om over dezelve ver-
slag te doen. Dit was niet minder gunstig dan het eer-
ste. Ook het Genootschap tot verbetering der methoden van
onderwijs onderwierp de verbeterde modellen van den Heer
A. Dupuis aan een nieuw onderzoek, dat in meer dan
één opzigt belangrijk was, en waarmede wij onze lezers
niet onbekend mogen laten, daar er zaken in voorkomen,
3*