Boekgegevens
Titel: De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Auteur: Steyn Parvé, Daniel Jan; Klöden
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. U b 11
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203572
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: tekenkunst: algemeen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
wen enkel den doezelaar, en dit komt ons zeer verstan-
nig voor, daar enkel arcéringen, schuins over elkander^
ontzaggelijk veel tijd vorderen, zonder den leerling ver-
der te brengen, en hem dikwijls allen lust in het teeken-
onderwijs benemen. In de natuur is de schaduw noch
gearceerd, noch gepointilleerd, en een doelmatig gebruik
van den doezelaar, dat niet moeijehjk te verkrijgen is, geeft
in veel korteren tijd en met minder moeite alles, wat
\men van eene teekening vorderen mag.
Het is overigens zeer doelmatig, wanneer men de leer-
lingen niet alleen de veranderingen doet opmerken, wel-
ke de aanschouwing der modellen door den overgang van
den regten stand in den perspectivischen ondergaan, maar
wanneer men hun die zaken ook opheldert. Dupuis
maakt zijne leerlingen door de touw^es, waarvan wij bo-
ven gesproken hebben, den horizon, de lichtstralen, die
van het voorwerp naar het oog gaan, de optische en
wiskundige lijnen en hoeken duidelijk; liij gebruikt daar-
toe ook nog een raam met doorschijnend gaas bespan-
nen , dat hij tusschen het oog der leerlingen en de voor-
werpen brengt. Daardoor worden hun de natuurwetten
duidelijk, welke de oorzaak zijn van het verscliil tusschen
het geometrische en het perspectivische beeld.
Is door de modellen der tweede afdeeling genoegzame
vlugheid verkregen, en met het schaduwen een begin ge-
maakt, dan wordt deze oefening voortgezet met de mo-
dellen der derde afdeeling. Deze bestaan uit zamengestel-
de figuren, wier bijzondere deelen figuren der 1®. en 2®.
afdeeling zijn, en die naar goedvinden kunnen inéén ge-
zet of uit elkander genomen worden. Zij zijn daarom ge-
deeltelijk van yzerdraad, gedeelteUjk van hout vervaar-
digd, en bevatten eigenlijk slechts eene opklimming van
het teekenen, zooals het tot dusverre geweest is, daar