Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
89
nul irekl? Hel is liei pronkstuk der Schepping, da
inensch.
Hel pronkstuk der Sciiepping ! — ja, dat is hij! voor-
eerst door zijn schoon, kunstig en voor zijnen stand
in de Schepping zoo doelmatig gevormd en ingerigt
ligchaam, hetwelk dat van alle andere schepselen in
die opzigten verre overtreft. Maar vooral door zijne
onsterfelijke ziel en de menigvuldige vermogens, haar
geschonken; dus ook door hel verstand, door hel oor-
deel en de rede; door hel vermogen, om aanhoudend
wijzer en braver le kunnen worden; door dat, om te
kunnen denken en het gedachte aan anderen mede le
deelen, of het spreken ; door de raagt, waarmede hij
al het geschapene aan zich onderwerpt en dienstbaar
raaakl; en dan bovenal door zijne verhevene bestem-
ming; eene bestemming, niet, gelijk die der planten
en dieren, voor de aarde en dezen lijd, maar voor
den Hemel en de eeuwigheid.
O, Kinderen! wanneer wij, dit alles overwegende,
bedenken, hoe verheven de mensch in het oog van God
moet wezen, dal Hij hem aldus in alles bevoorregtte
en beschonk, hem lot heer over alles bestemde, alles
le zijnen dienste, in zijne magt, als in zijne hand,
stelde, de geheele Schepping als voor hem deed ont-
slaan , hoe veel liefde zijn wij dan niet aan dien God
verschuldigd, welke daardoor loonde, in welke ruime
mate Hij ons bcniinl! En wat verlangt Hij voor dit
.illes van ons? o, niets anders, dan dat wij Hem we-
derkeerig liefhebben en Hem daardoor onzen dank be-
loonen. — God liefhebben, mijne Kinderen! en Hem
aldus onze dankbaarheid voor dit alles betoonen, ja dil
willen, dit zullen wij. Maar hoe zullen wij aan God
onze liefde loonen? Hij is geen mensch, dien wij,-;;^
zoo als onze ouders, kunnen omhelzen, aan ons hart
drukken. Hoori, wat Hij /.elf heeft gezegd, om ons
te doen weten, wat wij doen moeten, om Hem onze