Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
teil veiliclil eu liet vloeibare gedeelte des aardbeis, de
zee , in eene zoo veel heil aanbrengende beweging houdt;
aan de sterren, welke den hemel niet slechts versie-
ren, maar tevens, hoe ver ook van ons verwijderd,
vooral den zeelieden van zoo veel dienst zijn; aan het
water, dat reinigt en drenkt, dat planten en dieren
doet leven, wolken, regen, dauw en sneeuw voort-
brengt ; aan den wind, die zulk een aantal onzer werk-
tuigen in beweging brengt, zoo als schepen, molens
enz.; die de kwade en schadelijke dampen verdrijft; den
groei der boomen bevordert, door hen te schudden;
die de hitte des zomers door liefelijke koelten matigt;
het water tegen bederf behoedt; (\e wolken over het
aardrijk voert; de overtollige waterdeelen wegneemt
enz.; aan het onweder, dat de lucht zuivert en daar-
door onze gezondheid en der planten groei bevordert;
aan de lucht, die ons, de dieren en planten doet
leven, ons doet hooren, het vuur en licht doet bran-
den , in het kort, die onmisbaar is voor ons beslaan ;
aan het licht, dal ons doet zien, de kleuren verschaft
en voor den groei en bloei der gewassen, menschen
en dieren zoo voordeelig is; aan de warniie, die ons
niet enkel verkwikt, maar zonder welke noch wij,
noch eenig ander levend wezen kan blijven bestaan; —
denkt alleenlijk, om geene andere dingen meer le noe-
men , aan deze. En wanneer gij zulks doet en daar-
bij ontwaart, hoe wonderbaar zij allen zijn ingerigt,
welke gewigtige diensten zij aan de schepselen bewij-
zen, hoe zij de hoogste kenteekenen dragen van Gods
almagt, wijsheid en liefde, dan ook zult gij mede in
vervoering uilroepen: Ja, god is groot in al Zijne
werken!
3.
En voor wien heeft God dit alles nu zoodanig ge-
vormd en ingerigt? wie irekl van alles hel meeste,
neen, zegt liever, wie is de eenige, die van dit alles