Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
81

getie veenderij. Hier toonde hij dezen aan, hoe de
slijk gebaggerd, ter drooging uitgespreid, vervolgens
tot langwerpig vierkante blokjes gestoken, en die einde-
lijk op hoopjes gezet en aan den wind en de zon ter
verdere drooging blootgesteld werden. Na dat Beatus
dit alles bekeken had, zeide hij tegen zijnen vader:
i Dat de turf eene goede brandstof is. Vader! zie ik
alle dagen; en dat er ook gaslicht uit vervaardigd, de
asch tot bemesting en de molm ter verbetering van som-
mige landerijen gebruikt kan worden, luib ik laatst
gelezen; doch dat het land in zulk eene plas water
wordt veranderd en dus niet meer bebouwd kan wor-
den , vind ik toch jammer,**
i> Het veen,^^ antwoordde zijn vader, tis een zeer
slechte teelgrond; doch onder dezen bevindt zich ge-
woonlijk eene zeer goede klei. IVanneei^ het veen nu
daarvan afgenomen, vervolgens het water weggemalen
en het land dus weder droog is, dan bezit de eigenaar
een' grond, die veel beter ter bebouwing geschikt en
derhalve meer waardig is, dan te voren. Het venen
verschaft alzoo niet enkel goede brandstof, maar ver-
andert tevens, om het zoo te noemen, den slechten
grond in eenen goeden.''^
> Derhalve is de klei eene zeer nuttige aardsoort,
niet. Vaderwas de vraag van Beatus.
^Dat is zij,'* was het antwoord; ^want niet enkel
is zij dienstig, om er verschillende vruchten, zoo als
aardappelen, tarwe, boonen enz., op te telen, maar
tevens tol veelvuldig ander gebruik. Er bestaan ver-
scheidene soorten van klei, die, van het leem af, dat
donkei' en grof is, al witter en fijner worden. Naar-
mate nu dier wit- en 'fijnheid, maakt men er gerin-
gere en kostbaarder dingen van, zoo ah: metselstee-
nen, dakpannen en andere steenen; potten en pannen,
borden, schotels, theegoed, tabakspijpen, en zoo al
meer. Doch behalve dit, ufordt de klei nog op menig-
6