Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
woordde liare moeder; Mwaiil indien gij aan iiel zwijn
in luiheid liadt geleken, ^lau zoudt gij uw versje niet
zoo vlijtig hebben gaan zitten leeren; en dat gij het
ook niet in morsigheid doet, loont de zindelijkheid van
uwe kleederen. Doe altijd zoo, dau zal men u nooit
als het zwijn gelijkende noemen."
»Het is toch vreemd, dat het varken zoo gaarne in
den slijk rolt," sprak daarop Govert, haar broeder,
tegen zijnen vader; »geen ander dier doet zulks. Ook
acht ik het minder, dan de andere beesten, omdat het
onnut is, zoo lang het leeft, cn slechts na zijnen dood
voordeel aanbrengt."
»Wat hel eerste, de onreinheid, betreft," antwoordde
zijn vader, »tusschcn de morsigheid van het varken en
die van den mensch bestaat een groot verschil. Het
zwijn bemint den slijk ter verkoeling van zijn ligchaam,
dat zeer heet en brandig van aard is; dus is het rollen
in den modder voor hem cene behoefte; de mensch lieeft
de onreinheid niet noodig; zij strekt hem zelfs tot nadeel
voor zijne gezondheid en in andere opzigten, cn is dus le
zijnen aanzien eene ondeugd. En wat het tweede aan-
gaat, namelijk, dat het zwijn ons eerst na zijnen dood
nuttig is, hierin komen vele andere dieren met hem
overeen, ofschoon die geene eigenlijke huisdieren zijn."
»En welke zijn dat, Vader!" vroeg Govert, »en welke
voordeelen brengen zij ons aan?"
»Vooreerst de hazen," was het antwoord, »wier vleesch
eene smakelijke spijs, wier huid cene pelterij, lijm en
haren opleveren, waarvan zeer goede hoeden gemaakt
worden. Dan de konijnen, welke in die opzigten ge-
heel met de hazen overeenkomen. Vervolgens de be-
vers, dieren, omlrenl zoo groet, als een hond. Hun
vleesch kan gegeten worden; hunne huid levert eene
kostbare pelterij, hun vel lijm op; van de haren maakt
men de beste hoeden, en van do langste ook, kousen en
handschoenen; terwijl dit dier nog een voornaam ge-