Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
HKT ÜCHAAP.
Bertha liad van liaren vnder een lief lamineije ge-
kregen. Het was zoo wit, als sneeuw, en een
rood lint versierde zijnen hals. Zoo dra bertha iiil
de school kwam, liefkoosde zij het steeds; en het ge-
wende ook zoo zeer aan haar, dat het haar overal
huppelend volgde.
»Wat zijn de schaapjes toch lieve diertjes," zeide
/.ij op zekeren dag tegen hare moeder; »zij stooten
niet, gelijk de bokken, of bijten en krabben niet, zoo
als de honden en katten doen. Ik mag hen daarom
ook veel meer lijden."
»Ja,' antwoordde de moeder, »de schapen zijn zeer
zachtmoedige, onschuldige dieren, maar tevens van
het uitgestrektste nut: want, levend, verschaffen zij
vele voordeelcn, en, dood, gaat er niets van hen ver-
loren. Van de melk der schapen, welk men ook eet
of drinkt, maakt men kaas, en van de wol, die hun
alle jaren afgeschoren wordt, laken en andere stoffen
voor kleederen en vele andere dingen. Gedood zijnde,
eten wij hun vleesch; van hun vel maakt men zeem-
leder; van hun vet kaarsen; van de darmen snaren
voor violen enz.; van de beenderen knoopen; van den
afval der vellen lijm; het merg uit de beenderen ge-
bruikt men wel tot zalf; en aldus wordt alles door
den mensch op eene nuttige wijze gebezigd.
»En wal," dus vervolgde de moeder, »kunnen wij
bovendien van de schapen leeren ? Vooreerst, om al-
tijd even onschuldig en zachtmoedig te wezen, als zij
zijn; dan ook worden wij door God en alle brave
menschen bemind. En ten tweede, om in alle opzig-
len even zoo nuttig voor onze medenienschen te we-
1