Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
4G
vooral, (lat het strekken mag, om uw hart met dank-
baarheid jegens God tc vervullen, wiens milde hand ons
dil alles schonk."
Lodewijk bedankte den tuinman opreglelijk, zoo wel
voor dien wensch, als voor het geleerde, en beloofde, dat
ook liij iïi het vervolg zijn best zoude doen, om anderen
de goedheid en wijsheid van God te doen opmerken.
Vragen: 1. Welk nut trekken wij van de koe gedurende
haar leven en na haren dood? — 2. En welk van den os? —
5. Ea van het kalf?
XXIX.
\>Zie eens, Koenraad !" sprak Feudixand , ^ hebt gij
wel ooit mooijer hoogvliegers gezien, dan deze? Zoo
haast zij tUvast zijn, zal ik hen uit laten; en dan
zult gij eens zien, hoe zij in de hoogte zullen stijgen
Koenraad, die de beestjes met begeerige oogen be-
schouwde, moest toestemmen, dat het de schoonste wa--
ren, welke hij immer gezien had, en vroeg zijnen mak-
ker, of hij er een paar van kreeg, als zij jongen had-
den , hetwelk deze gulhartig beloofde.
b Odus vervolgde Koenraad , toen hij dlzoo tevre-
den was gesteld, »kort geleden heb ik eerst duiven ge~
zien! Mijn Vader, welke eenen Heer van zijne kennis
ging bezoeken, nam mij mede. Bie Heer had eevL
ontzettend grooten tuin, en in het midden daarvan
stond boven op palen in de hoogte een duivenkot zoo
groot, dat het wel een klein huisje geleek. Over de
honderd duiven van allerlei soort waren daarin met
jongen van verschillende grootte; en alles zoo fraai,
dat men er zijne oogen op uitkeek. Dat was een heen-
en weder gevlieg, een stijgen en dalen, een gekor en
getrekkebek, als ik nooit anders zoo gezien heb.^*