Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
len daarmede zekerder en haastiger voort, dan de paar-
den zouden vermogen, welke er bovendien niet gehou-
den zouden kunnen worden, naardien er geen voedsel
genoeg voor hen groeit. Om dezelfde reden zijn er ook
geene koeijen. Eu wanneer alles nu onder de sneeuw
bedolven ligt, en er nergens eten voor die goede
dieren te vinden is, dan krabben zij met hunne ho-
rens het mos onder de sneeuw uit en voeden er zich
mede. Zie daar nu de plaats-van paard door het ren-
dier vervuld, hetwelk het ook in het dragen van las-
ten kan doen.
t Op gelijke wijze doet het die van de koe. Even, als
sommige landlieden bij ons talrijke kudden schapen
houden, zoo houdt men daar die van rendieren, en
deze worden, zoo als bij ons de koeijen, gemolken;
die melk wordt als spijs en drank gebruikt, of Loter
en kaas er van gemaakt. Na den dood des rendiers wordt
het vleesch gegeten; van het vel worden schoenen,
kleedingstukken enz. gemaakt; met de haren vult men
kussens en dergelijke diugen; van de beenderen ver-
vaardigt men naalden, lepels enz.; van de zenuwen
garen; van de klaauwen drinkvaten, en op deze wijze
gaat er niets van hem verloren. — Wat zouden de
bewoners van die koude, onvruchtbare streken wel be-
ginnen, indien zij het rendier niet bezaten, daar zij
veelal te ver van de zeeën af wonen, waar de walvis-
schen zich onthouden, om die te kunnen verkrijgen?
»Wie nu, die al deze schikkingen der Voorzienig-
heid oplettend beschouwt, zou nog kunnen zeggen,
dat er eene streek bestaat, waar Zij heeft vergelen,
voor hare kinderen te zorgen."
Vragen: 1. Wat verhaalde de tuinman van de mosscnl —'
2. In welke opzigten strekken de rendieren tot een bewijs van
dc zorg Gods voor Zijne scliepseletè? — 3. Welk nut verschaf-
fen zij gedurende hun levent — k. En welk na hunnen doudi