Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
uoot, die gewoonlijk de grootte vaii een hoofd bereikt,
bevat van binnen eene iiarde, zoele pit, en te midden
van deze een heerlijk melkachtig vocht. Hoe rijper de
noot wordl, hoe meer dit sap veVdikt en tot pil over-
gaat. Om deze pit zit eene harde schaal, die lol
drinkschalen enz., en verder voor ons lot allerlei
fraaijigheden, zoo als doosjes en dergelijke bewerkt
wordl. Om die harde schaal zit een vezelachlig nel,
waarvan men touwwerk enz. vervaardigt; en om dit
net nog weder een hulsel, dat mede benuttigd wordt.
Met één woord : eten, drinken , wijn , kleeding, deksel,
ook voor de woningen , harsl, olie, zeep, zelfs genees-
middelen, verschaft hij door zijnen stam, den bast, de
\Tuchten en bladeren. —En nn,
4. den pisang of banaanboom, een even nnitige , ja,
zoo mogelijk, nog nuttiger boom. De bladeren ver-
strekken lot kleederen, en twee daarvan zijn genoeg,
om een mensch te bedekken. Verder dienen zij tot
dekking der woningen, tafelkleeden enz. De vrucht
strekt lot spijs en, gedroogd zijnde, ter bereiding van
meel, waarvan men ook brood maakt. Doch ook van
dezen kan ik niet alles opnoemen; dus alleen nog, dat
hij bovendien hout, touwwerk, linnen, eene soort van
wijn enz. oplevert.
«En nu , Jongens! wanneer wij hierbij bedenken, dat
die boomen juist groeijen daar, waar dikwijls geene
andere gewassen voortkomen en weinig of geene eet-
bare dieren gevonden worden, zoodat de menschen
grootendeels door hen bestaan moeten; verder, dat elk
land tevens die gewassen en boomen bevat, welke de
daar benoodigde geneesmiddelen opleveren, zoo als den
kinabast in de Amerikaansche moerassige en koorlsaan-
brengende gewesten, en den wilgenbast, benevens de
vlierbloem en kamillen in ons waterachtig, van luchts-
gesteldheid zoo veranderlijk en daardoor zoo dikwijls
koorls- en verkoudheid aaid)rengeiMl Land; dan kunnen