Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
gehoord hebben, alsmede, dat de zoo nuttige zijdewormen ons
de heerlijke zijde verschafien, die tot kleeding en zoo menigvul-
dig ander gebruik dient. Van eenige kleine insekten verkrij-
gen wij overheerlijke kleuren, zoo als van de cochenille het
scharlakenrood, van de kermes het karmozijnrood, en van de
purperslak de heerlijke purperverw; terwijl wij het koraal en
de sponsen weder te danken hebben aan andere beestjes, welke
in de zee leven, cn de kostbare parelen aan den parelmossel,
die zich mede daarin ophoudt.
»Zoo ziet gij, Jongeheer!" dus vervolgde de tuinman, »dat
de insekten ten aanzien van nut niet voor de planten onder-
doen."
De tuinman, op dit oogenblik geroepen wordende, verwij-
derde zich, hetwelk Lodewijk. mede deed, na hem wc! vrien-
delijk voor zijn onderrigt bedankt te hebben.
Vragen: Als Lodewuk nu vroeg: van welk nut zijn de
insekten in het algemeen, wat zoudt gij dan antwoorden? —
2. £n van welk de spin, de slak, pissebed, mier, spaansche
vlieg, bloedzuiger, wespen en zijdewormen? — 3. En van welke
diertjes verkrijgen wij verwstoffen, het koraal en de parelen?
XIIL
(X)e $aö cn öe Kifcvordcfi.
Meindert was juist het omgekeerde van Lodewuk.
Leeren deed hij nimmer. Geen grooter ver'maak voor
hem, dan wanneer hij vogelnesten storen, de eitjes
verpletteren of de jonge vogeltjes doodmartelen kon.
Wee den kikvorschen, die in zijne handen vielen, en
even zoo de kapellen, vliegen en dergelijke beestjes
meer! Nimmer doodde hij hen dadelijk, zoo als ons
geoorloofd is, wanneer de insekten ons hinderen of tot
nadeel verstrekken; neen, altijd moest hij, vóór hen
om het leven te brengen, zijn hart ophalen, door hen
de ongehoordste pijnen te doen ondergaan.
Eens ontdekte hij eene pad; en, o, nu bei^eidde hij
zich een feest, reeds de grootste vreugde smakende bij
het overleggen, wat hij met het arme dier doen wilde.