Boekgegevens
Titel: Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Auteur: Keyzer, J. de
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink en De Vries, 1852
J. de Vries en zoon
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 2761 G 13
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203150
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouwproducten, Veeteelt, Dieren, Planten, Kinderverhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vijftigtal verhalen over het nut van de voortbrengselen der natuur: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
Togels (Ie laak opgelegd, die te vangea en tol voedsel
le gebruiken. Haar nu vliegen er des avonds en des
nachts zoo we! lallooze inseklen, als over dag, en die
niet door de vogels weggevangen kunnen worden, om-
dat deze in het donker niet zien en slapen. Eu nu be-
stemde God de vledermuizen, om deze lastige of iiadee-
iige insekten weg le azen, waartoe Hij hare oogen zoo-
danig inriglte, dat zij in het duister goed kunnen zien,
terwijl zij over dag blind zijn.
)>En deze nuttige dieren," dus ging hij voort, »welke
zoowel, als wij en alle andere dieren, schepselen van
God zijn, zijn- het nu, welke zoo door u vervolgd en
wreedaardig gemarteld worden — dieren, welke sommige
volken zelfs als spijs gebruiken! ... . Jongens! wilt
gij wezenlijk genoegen smaken, beschouwt dan eik ding,
dat God geschapen heeft, hoe gering hel ook schijne,
in plaats van hel baldadig le verwoesten, mei opmerk-
zaamheid, en gij zuil bevinden, dal Hij niels onnoodigs*^
heeft voortgebragl, en dat alles, wat Hij schiep, schoon,
of nuttig, of beide is."
Gedurende dit, verhaal ïiadden de jongens stil en aan-
dachtig toegeluisterd; en naauwelijks was hel len einde,
of een hunner trad naar den hoorn, haalde de spijker.s
er uit, gaf de vledermuis hare vrijheid weder, die wel
moeijelijk, maar toch nog wegvliegen konde, en verwij-
derde zich stilzwijgend met zijne makkers.
Vragen: 1. Waartoe bestemde God de vledermuizen? —
2. Mogen wij wel, hetgeen Hij schiep, baldadig dooden of ver-
nielen? — 3. Hoedanig moeten wij dan daarmede handelen en
waarom ?
VI.
OdC c%cz.
,, !" jeiöe ,,)C£h •!)>; t>aaf