Boekgegevens
Titel: Het Fransch voor katholieke scholen: lezen, spreken, schrijven, van buiten leeren
Deel: II
Auteur: Werf, F. v.d.
Uitgave: Arnhem: Van Mastrigt en Verhoeven, 1895 *
4e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 9427
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203001
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het Fransch voor katholieke scholen: lezen, spreken, schrijven, van buiten leeren
Vorige scan Volgende scanScanned page
Geef nu het antwoord in den persoon meervoud:
Quand déjeunez-vous? Nous déjeunons à huit heures.
13.
le prêtre = de priester,
célébrer = de mis lezen,
le sacristain = de koster,
allumer = aansteken,
le cierge = de kaars,
le 'pénitent = de boeteling,
se tourner = zich .wenden,
se frapper = zich kloppen,
la poitrine = de horst,
rorganiste = de organist.
Que fait le prêtre?
Que fait le sacristain?
Que fait le pénitent?
Que fait le fidèle?
Que fait le prêtre?
Que fait le prêtre?
Que fait l'organiste?
Que fait le choriste !
Que fait le prêtre?
Plaats daarna vragen
Que font les prêtres?
14.
le lièvre = de haas.
le chasseur = de jager,
rincer — omspoelen,
la vaisselle = het vaattcerk.
la servante = de meid.
réciter = opzeggen,
le catéchisme = de cate-
chismus,
arroser — begieten.
confesser belijden,
le péché = de zonde,
le fidèle = de geloovige.
vers = naar.
l'orgue = het orgel,
le choriste = de chorist.
une hymne = een lofzang,
prêcher = prediken.■
la charité = de liefdadig-
heid.
Il célèbre la sainte messe.
Il allume les cierges.'
Il confesse ses péchés.
Il adore Notre Seigneur.
Il se tourne vers les fidèles.
Il se frappe la poitrine.
Il joue de l'orgue.
Il chante une belle hymne.
Il prêche la charité,
en antwoorden in 't meervoud:
Ils célèbrent la sainte messe.
la montre = het horloge,
préparer =■ gereedmaken,
les mets ^ de spijzen,
fabriquer "" vervaardigen.
la toile = het linnen,
le tisserand =■ de wever,
distribuer = uitdeelen.
le bienfaiteur - de tvel-
doener.