Boekgegevens
Titel: Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Auteur: Versluys, J.
Uitgave: Amsterdam: W. Versluys, 1880
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 8937
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202958
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Meetkundige vraagstukken voor uitgebreid lager en middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
20
de beenen 6 en 8. Bereken de afstanden van de uiteinden
der grondlijn tot het snijpunt van de verlengden der beenen.
7. Construeer twee driehoeken, die twee zijden evenwijdig en
een hoek tegenover een dier zijden gelijk hebben, zonder
gelijkvormig te zijn.
8. Construeer twee gelijkvormige driehoeken, waarbij de over-
eenkomstige zijden en hoeken in tegengestelde orde voor-
komen.
9. De zijden van een driehoek zijn 5, 7 en 8; bereken de
zijden van een tweeden driehoek, die gelijkvormig is met
den eersten en waarvan de omtrek 44 centimeter is.
10. Beschrijf een gelijkzijdigen driehoek, als de som gegeven
is van een zijde en een hoogtelijn.
11. Van een driehoek zijn twee zijden 12 en 15 centimeter.
Als de hoogtelijn op de eerste zijde 7 centimeter bedraagt,
hoe lang is dan de hoogtelijn op de tweede zijde ?
12. Bewijs, dat bij twee gelijkvormige driehoeken een paar
overeenkomstige zijden zich verhoudt als de sommen der
andere zijden.
13. Beschrijf een gelijkzijdigen driehoek, als het verschil ge-
geven is tusschen een zijde en een hoogtelijn.
14. Bewijs, dat de omtrekken van twee gelijkvormige drie-
hoeken zich verhouden als de sommen van hun hoogte-
lijnen.
15. Verdeel een driehoek in vier congruente deelen.
16. Bepaal twee rechte lijnen, waarvan het verschil gegeven is
en die zich verhouden als twee gegeven rechte lijnen.
17. Construeer een driehoek, waarvan de omtrek zoo groot is
als een gegeven rechte lijn en die gelijkvormig is met een
gegeven driehoek.
18. Bewijs dat twee driehoeken, die gelijkvormig zijn met een
derden, ook onderling gelijkvormig zijn.