Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Mijne koopvrouw had de spie- Ma marchande avait déballé
gels ontpakt. les miroirs.
Uwe naaister had het linnen Ta couturière avait coupé la
gesneden. toile.
Hare breister had kousen ge- Sa tricoteuse avait tricoté des
breid. bas.
Onze borduurster had eene Notre brodeuse avait brodé un
muts geborduurd. bonnet.
Uwe lapster had eenen onder- Votre raccommodeuse avait
rok versteld. raccommodé un jupon.
Hare strijkster had een hemd Leur repasseuse avait repassé
gestreken. une chemise.
Mijne stopster had kousen Ma ravaudeuse avait ravaudé
gestopt. des bas.
Uwe vriendin had boeken Ton amie avait écrit des li-
geschreven. vres.
Hare danseres had gedanst. .Sa danseuse avait dansé.
Onze keukenmeid had ge- Notre cuisinière avait fait la
kookt. cuisine^
Uwe kindermeid had de kin- Votre bonne avait soigné les
deren opgepast. enfants.
Hare opvoedster had haar Son institutrice l'avait élevée.
opgevoed.
22. ZUS.
Zel/itandige Noms substantifs. Werkmoorden. Verbe».
%aamv>oorden.
De weide. la prairie. maaien. faucher.
Het hooi. le foin. op hoopen zetten, entasser.