Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
Onze schipper heeft op het Notre batelier a ramé sur le
meer geroeid. lac.
Uw boer lieeft zijn land ge- Votre paysan a labouré son
ploegd. champ.
Zijn bakker heeft uw meel Son boulanger a blute votre
gebuild. farine.
Zelfstandige
naamwoorden.
Eene koop-
vrouw.
Eene naaister
Eene breister.
Eene borduur-
ster.
Eene lapster.
Eene strijkster.
Eene stopster.
Eene vriendin.
21. LUS.
Noms substantifs. Werkwoorden.
une marchan- ontpakken.
de.
. une couturière, snijden.
une tricoteuse, breien.
une brodeuse, borduren.
uneraccommo- verstellen.
deuse.
une repasseuse, strijken.
uneravaudeuse. stoppen.
une amie. boekenschrij-
ven.
une danseuse, dansen,
une cuisinière, koken.
Eene danseres.
Eene keuken-
meid.
Eene kinder- tme bonne. oppassen,
meid.
Eene opvoed- une institu- opvoeden,
ster. trice.
Verbes.
déballer.
couper.
tricoter.
broder.
raccommoder.
repasser,
ravauder,
écrire des li-
vres,
danser,
faire la cui-
sine,
soigner.
élever.