Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
Zei/standîge Noms substantifs. WerJcwooràen. Verbes.
naamvoorden.
Een metselaar, un maçon. bouwen. bâtir.
Een schilder, un peintre. verven. peindre.
Een hovenier, un jardinier, snoeien. tailler.
Een koopman, un marchand, verkoopen. vendre.
Èen schipper, un batelier. roeien. ramer.
Een boer. un paysan. ploegen. labourer.
Een bakker, un boulanger, meel builen, bluter de la
farine.
Mijn schoenmaker heeft mijne Mon cordonnier a ressemelé
schoenen gelapt. mes souliers.
Uw kleermaker heeft mij de Ton tailleur a pris ma me-
maat genomen. sure.
Zijn schrijnwerker heeft uwe Son menuisier a collé votre
deur gelijmd. porte.
Onze timmerman heeft zijn Notre charpentier a scié son
bout gezaagd. bois.
Uw loodgieter heeft mijn lood Votre plombier a fondu mon
gegoten. plomb,
Hun metselaar heeft ons huis Leur maçon a bâti notre mai-
gebouwd. son.
Mijn schilder heeft onze ka- Mon peintre a peint notre
mer geschilderd. appartement.
Uw hovenier heeft mijnen Ton jardinier a taillé mon
boom gesnoeid. arbre.
Zijn koopman heeft uw hor- Son marchand a vendu la
loge verkocht. montre.