Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
Zij zouden centen geteld heb- Ils auraient compté des cents.
ben.
Zelfstandige
naamwoorden.
De zon.
De wolken.
De regen.
De hagel.
De sneeuw.
De wind.
17. LES.
Noms substantifs. Werkwoorden.
Ie soleil,
les nues,
la pluie,
la grêle,
la neige.
Ie vent.
De regenboog, l'arc-en-ciel.
De vorst. la gelée.
De dooi. Ie dégel.
De mist. Ie brouillard.
De koude. Ie froid.
De hitte. la chaleur.
De zon schijnt.
De wolken bedekken de zon.
De regen valt.
De hagel verplettert het koren.
De sneeuw smelt.
De wind droogt den grond op.
De regenboog verdwijnt.
De vorst verstijft alles.
De dooi verzacht de aarde.
De mist verduistert de lucht.
schijnen.
bedekken.
vallen.
verpletteren.
smelten.
opdrogen.
verdwijnen.
verstijven.
verzachten.
verduisteren.
versterken.
Verbes.
luire.
cacher.
tomber.
écraser.
fondre.
dessécher.
disparaître.
engourdir.
amollir.
obscurcir.
fortifier.
mûrir.
rijpen.
Le soleil luit.
Les nues cachent le soleil.
La pluie tombe.
La grêle écrase le blé.
La neige se fond.
Le vent dessèche la terre.
Larc-en-ciel disparaît.
La gelée engourdit tout.
Le dégel amollit la terre.
Le brouillard obscurcit l'air.