Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
Ik heb wol gewasschen.
Gij hebt zijde gesponnen.
Hij heeft leder geverfd.
Wij hebben garen getwijnd.
Gij hebt laken geweven.
Zij hebben met satijn gevoerd.
Ik heb met lint belegd.
Gij hebt aan kant gewerkt.
Zij heeft neteldoek gescheurd.
Wij hebben met katoen ge-
naaid.
Gij hebt linnen gebleekt.
Zij hebben stroo gevlochten.
J'ai lavé de la laine.
Tu as filé de la soie.
Il a teint du cuir.
Nous avons retordu du fil.
Vous avez tissé du drap.
Ils ont doublé avec du satin.
J'ai garni avec du ruban.
Tu as travaillé à de la dentelle.
Elle a déchiré de la mousseline.
Nous avons cousu avec du
coton.
VoMS avez blanchi de la toile.
Elles ont tressé de la paille
11. LES.
Zelfstandige Noms substantifs. Werkwoorden. Verbes.
naamwoorden.
Eene jurk. un fourreau. dragen. porter.
Een kleed. une robe. naaien. coudre.
Een rok. une jupe. verkoopen. vendre.
Een onderrok. un jupon. ontvangen. recevoir.
Een nachtjak. une camisole. plooien. plisser.
de nuit. strijken. repasser.
Een borstrok. une camisole. boorden. border.
Eene onder- un caleçon. maken. fabriquer.
broek. hebben. avoir.
Een hemd. une chemise. koopen. acheter.
Eene muts. un bonnet. verstellen. raccommoder.
Kousen. des bas. mazen. ravauder.
Schoenen, des souliers.