Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
t
Gij bakt visch.
Hij kookt spek.
Wij braden rundvleesch.
Gij snijdt kalfsvleesch.
Zij stoven schapenvleesch.
Ik bereid soep.
Gij hakt kool.
Zij dopt boonen.
Wij zaaien rapen.
Gij plukt erwten.
Zij schillen aardappelen.
Tu fais frire du poissm.
Il fait bouillir du lard.
Nous faisons rôtir du bœuf.
Fous tranchez du veau.
Us mettent du mouton à l'etuvée.
J'apprête de la soupe.
Tu haches des choux.
Elle écosse des fèves.
Nous semons des navets.
Vous cueillez des pois.
Elles pèlent des pommes rfe
terre.
8. LES.
Zelfstandige
naamwoorden.
Noms sabstantifs.
Werkwoorden.
VerbeB.
Het nagerecht, le dessert. schikken. ranger.
Eene boterham, une beurrée. halen. chercher.
Gebak. de la pâtisserie. eten. manger.
Vruchten. des fruits. beminnen. aimer.
De schil. la pelure. wegwerpen. jeter.
De pit. le noyau. kraken. croquer.
Appelen. des pommes. drogen. sécher.
Peren. des poires. inleggen. confire.
Druiven. des raisins. uitpersen. presser.
Perziken. des pêches. stelen. dérober.
Aalbessen. des groseilles. ruilen. troquer.
Noten. des noix. afslaan. abattre.