Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
Dien van dezen schotel.
Vraag eenen lepel.
Geef mij eene vork.
Slijpt de messen.
Reikt hetj zoutvat aan.
Vult de peperbus.
Schuurt het komfoor.
Ledigt de sauskom.
Spoelt het wijnglas.
Sers de ce plat.
Demande une cuillère.
Donne-moi une fourchette.
Repassez les couteaux.
Approchez la salière.
Remplissez le poivrier.
Ecurez le réchaud.
Videz la saucière.
Rincez le verre à vin.
7. L £ S.
Zelptandigt Noms substantifs. Werkwoorden. Verbes.
Haamwoordun.
Brood. du pain. kneden. pétrir.
Visch. du poisson. bakken. faire frire.
Spek. du lard. koken. faire bouillir.
Rundvleesch. du bœuf. braden. rôtir.
Kalfsvleesch. du veau. voorsnijden. trancher.
Schapen- du mouton. stoven. mettre àl'étu-
vleesch. vée.
Soep. de la soupe. bereiden. apprêter.
Kool. des choux. hakken. h acher.
Boonen. des fèves. doppen. écosser.
Rapen. des navets. zaaien. semer.
Erwten. • des pois. plukken. cueillir.
Aardappelen. des pommes schillen. peler.
de terre.
Ik kneed brood. Je pétris du pain.