Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
1
Sits papier dnikken.
Op postpapier schrijven.
Zich aan lak branden.
Met ouwels toemaken.
Een zegel (signet) graveeren.
Met een vouwbeen openen.
Eenon brief verzenden.
Een brielje ontvangen.
Eene rekening opmaken.
Impmner du papier en couleur.
Ecrire sur du papier à lettres.
Se brûler à de la cire.
Cacheter avec dupàin àcacheter.
Graver un cachet.
Ouvrir avec un plioir.
Expédier une lettre.
Recevoir un billet.
Dresser un mémoire.
6. L E S.
Zelfstandige Noms substantifs. Werhoiorden. Verbes.
naamwoorden.
Het tafellaken. la nappe. wegnemen ôier.
De servetten. les serviettes. leggen. mettre.
Het bord. l'assiette. warmen. chauffer.
Dc schotel. le plat. dienen. servir.
De lepel. la cuillère. vragen. demander.
De vork. la fourchette. geven. donner.
Het mes. le couteau. slijpen. repasser.
Het zoutvat. la salière. aanreiken. approcher.
De peperbus. le poivrier. vullen. remplir.
Het komfoor. le réchaud. schuren. écurer.
De sauskom. la saucière. ledigen. vider.
Het wijnglas. le verre à vin. spoelen. rincer.
Neem het tafellaken weg. Ole la nappe.
Leg de servetten. Mets les serviettes.
Warm de borden. Chau/fe les assiettes.