Boekgegevens
Titel: Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Auteur: Meerten, A.B. van
Uitgave: Utrecht: L.E. Bosch en zoon, 1868
12me éd
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 7884
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202947
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde, Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Franse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Frans, Woordenboeken (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Premier vocabulaire, hollandais et français, pour l'enfance. Suivi d'une journée de trois enfants, ou Petites conversations à la portée de la première enfance = Fransch en Nederduitsch woordenboekje, voor eerstbeginnenden; gevolgd door een dagverhaal van drie kinderen, of gesprekken, geschikt naar de vatbaarheid van zeer jonge kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
Hel vertrek in orde brengen.
De deur sluiten.
De vensters openen.
Den schoorsteen vegen.
Het behangsel schilderen.
Den haard aanvegen.
De zoldering schoonmaken.
In de kast bergen.
De tafel bewegen.
Op den stoel gaan zitten.
Ranger l'appartement.
Fermer la porte.
Ouvrir les fenêtres.
Ramoner la cheminée.
Peindre la tapissei-ie.
Balayer le foyer.
Nettoyer le plafond.
Serrer dans l'armoire.
Remuer la table.
S'asseoir sur la chaise.
3. LES.
Zelfstandige Noms substantifs. If erewoorden. Verbes.
vaamwoorden.
Een ledikant. un bois de lit. maken. (aire.
Eene kachel. un poêle. potlooden. lustrer.
Een spiegel. un miroir. zien. regarder.
Eene schilderij. un tableau. ophangen. suspendre.
Een uurwerk. une horloge. opwinden. monter..
Eene stoof. une chauffe- nemen. prendre.
rette.
Eene gordijn. un rideau. ophalen. relever.
Eene lamp. une lampe. aansteken. allumer.
Een kandelaar. un chande- brengen. apporter.
lier.
Eene kaars. une chandelle, snuiten. moucher.
Een snuiter. des motœhettes. halen. chercher.
Eene lade. un tiroir. inschuiven. faire entrer.