Boekgegevens
Titel: Natuurkennis voor de volksschool
Deel: I Planten en dieren
Auteur: Scheepstra, H.; Walstra, W.
Uitgave: Groningen [etc.]: Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1035
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202946
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen, Biologie: zoölogie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Dierkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuurkennis voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
paar groote oogen kijken u vriendelijk aan. Het konijn kan
zijn oogen niet geheel sluiten; de oogleden zijn daarvoor te
klein. De lippen dragen snorharen, de bovenlip is gespleten.
Een paar lange, lepelvormige ooren staan op den kop; die
zijn zeer beweeglijk. Het lichaam is bedekt met zacht, wollig
haar. Bij de tamme konijnen is de kleur van den pels zeer
verschillend De konijnen, die in 't wild leven, hebben alle
een bruingrijze bovenvacht en een blauwgrijze ondervacht. Het
tamme konijn is grooter dan het wilde; het eerste kan wel 5
KG. worden, terwijl het laatste niet zwaarder wordt dan 2^2 KG.
Het konijn krijgt wel zeven- of achtmaal jongen in 't jaar.
Telkens bedraagt het aantal van vier tot twaalf, zoodat iemand,
die een paar volwassen konijnen bezit, er na een jaar wel
vijftig kan hebben. Daarom zeggen we, dat deze dieren zich
sterk vermenigvuldigen.
De eerste negen dagen van hun leven zijn de jongen blind;
ook hebben ze bij de geboorte geen haar. 't Is daarom goed,
dat het wilde konijn zijn woning in den grond heeft; de
jongen zijn nu tegen weer en wind beschut. Het konijn graaft
zijn hol alleen in een zandigen bodem. Zijn sterke nagels
komen hem daarbij uitstekend te pas. Het dier is zeer vrees-
achtig. Bij 't minste geritsel steekt het de ooren op, en als
het met zijn fijn gehoor onraad merkt, verbergt het zich
vlug in zijn hol. Gewoonlijk verlaat het dit alleen bij-avond,
om voedsel te zoeken. Is het konijn in een hok opgesloten,
dan knaagt het voortdurend aan de. traliën. Zijn voorste
tanden groeien steeds aan; daarom moet het zorgen, dat zij
afslijten, anders zouden ze te lang worden. We noemen het
konijn een knaagdier. Het vleesch van het konijn is zeer
smakelijk, en zijn pels wordt voor pelterijen gebruikt.