Boekgegevens
Titel: Natuurkennis voor de volksschool
Deel: I Planten en dieren
Auteur: Scheepstra, H.; Walstra, W.
Uitgave: Groningen [etc.]: Wolters, 1893
2e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1035
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202946
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen, Biologie: zoölogie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Dierkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Natuurkennis voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
huisdier, dat een nadere kennismaking ten volle verdient.
De kop is van onderen breed, de bek is groot en de
bovenlip zeer dik. De omgeving van den neus is onbehaard,
evenals de neusgaten, die altijd slijmig zijn en ver van
elkaar staan. De neus is breed en recht, het voorhoofd plat.
De ooren zijn beweeglijk als die van het paard, maar veel
grooter. Op den kop staan een paar gebogen horens, die het
jonge rund, het kalf, nog niet bezit. Die horens zijn rond,
glad en spits; dicht bij den kop vertoonen ze eenige ringen.
Het rund heeft een korten, gerimpelden hals. Voor aan den
dikken romp, tusschen de voorpoot en, bevindt zich een
huidplooi of kwab. Tusschen de achterpooten heeft de koe
een grooten uier, met vier lange tepels. Na de geboorte
wordt het kalf dadelijk aan de moeder ontnomen, zoodat het
geen gelegenheid heeft, aan die tepels te zuigen. Toch noemt
men de koe een zoogdier. — Achter aan den romp hangt
een lange staart; een bosje lange haren vormen aan 't on-
dereind van den staart een kwast. Als de koe des zomers in
de weide loopt, is die staart onophoudelijk in beweging.
Aan eiken poot zien we van onderen twee hoeven, die
samen nagenoeg den vorm hebben van een paardenhoef. Bij
nadere beschouwing blijkt, dat achter aan eiken poot nog
twee kleine hoefjes gevonden worden; daarmee rust het rund
echter niet op den grond. Ofschoon het dus vier hoeven
heeft, noemt men het rund toch een tweehoevig dier.
OPGAVEN.
1. Het jong van het rund heet.....2. De vader van het
kalf heet....., en de moeder..... 3. Het rund is niet z(\9
.....als het paard. 4. Zijn pooten zijn.....dan die van het