Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST.
73
ons nn eenige opstellen over de regelmatig 13 bedrijvende
"werkwoorden; wij hebben de hnlpwoorden goed geleerd. Dat
verheugt mij 14; ik zal n dadelijk voldoen 15.
13 regular. 14 I am glad of it. 15 satisfy.
Opstellen over de regelmatig Bedrijveiide Werkwoorden.
56.
Ik bemin, ik beminde, en ik zal beminnen. Gij deht 1, gij
dektet, en gij zult dekken. Hij verhort 2 , bij verkortte , en
hij zal verkorten. Wij vermijden 3, wij vermeden , en wij
zouden vermijden. Hij valt aan 4, bij viel aan, en bij zal
morgen we& 5 aanvallen. Hij heurt goed 6, maar zij keurt
niet goed. Ik heb getwist 7, gij hehi geraadpleegd 8; hij
heeft hegraven 9. AVij hebben toegehnoopt 10; gij hebt ^c-
dragen 11; zij hebben veranderd 12. Ik had gekleed 13;
gij hadt omhelsd 14; hij bad veracht 15; wij hadden getwij-
feld 16; gij hadt onderscheiden Vl \ zij hadden verbeterd 18.
1 to cover.
2 to abridge.
3 to avoid.
4 to attack.
5 again.
6 to approve.
7 to quarrel.
8 to consult.
9 to bury.
10 to button.
11 to carry.
12 to change.
57.
13 to dress.
14 to embrace.
15 to disdain.
16 to doubt.
17 to distinguish.
18 to correct.
Ik zal voortgaan 1; gij zolt vergelijhe^i 2; hij zal hetesti»
gen 3, W^ij zullen kammen 4; gij zult reinigen 5; zij zullen
beschaven 6. Ik zou wonen 7; gij zoudt verlossen 8; hij zoa
uitdeelen 9; wij zouden volmakefi 10; gij zoudt beleedigenW'^
zij zouden uitnoodigen 12. Ik zal geopenbaard 13 hebben; gij
zult verdrukt 14 hebben; hij zal vervolgd 15 hebben; wij
zullen geplant 16 hebben; gij zult behaagd 17 hebben, en zij
13 to manifest.
14 to oppress.
15 to persecute.
16 to plant.
17 to please.
1 to continue. 7 to dwell.
2 to compare. 8 to deliver.
3 to confirm. 9 to distribute.
4 to comb. 10 to perfect.
5 to cleanse. 11 to insult.
6 to civilize. 12 to invite.