Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
64.
ENGELSCHE
fragender wijs.
to assure,
Indicative mood.
Present tense.
Do I assure ?
Dost thou assure ?
Does he assure ?
Do we assure?
Do you assure ?
Do they assure?
Imperfect tense.
Did I assure?
Didst thou assure?
Did he assure?
Did we assure?
Did you assure ?
Did they assure?
Perfect tense.
Have I assured ?
Pluperfect tense ^
Had I assured?
First future tense.
Shall I assure ?
Wilt thou assure?
IPill he assure ?
Shall we ass7tre ?
Jf-ill you assure?
Will they assure ?
Second future tense.
Shall 1 have assured?
Potential mood ,
Fresent tense.
May or can I assure?
Mayst or canst thou assure?
May or can he assure ?
May or can we assure?
May or can you assure ?
May or can they assure ?
Imperfect tense.
Might, could, would or should
I assure?
verzeke ren.
Aantoonende wijs.
Tegenwoordige ijd.
Verzeker ik ?
Verzekert gij ?
Verzekert hij ?
Verzekeren wij?
Verzekert gij ?
Verzekeren zij ?
Onvolm. verleden tijd.
Verzekerde ik ?
Verzekerdet gij ?
Verzekerde hij ?
Verzekerden wij ?
Verzekerdet gij ?
Verzekerden zij ?
Volm. verleden tijd.
Heb ik verzekerd?
Meer dan volm. verl. tijd.
Had ik verzekerd?
Eerste toekomende tijd.
Zal ik verzekeren?
Zult gij verzekeren ?
Zal hij verzekeren?
Zullen wij verzekeren?
Zult gij verzekeren?
Zullen zij verzekeren ?
Tweede toekomende tijd.
Zal ik verzekerd hebben ?
vermogende -wijs.
Tegenwoordige tijd.
Mag of kan ik verzekeren ?
Moogt of kunt gij verzekeren?
Mag of kan hij verzekeren ?
Mogen of kannen wij verzekeren?
Moogt of kunt gij verzekeren?
Mogen of kunnen zij verzekeren?
Onvolm. verleden tijd.
Mogt, kon, wilde of zou ik ver-
deren?