Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
■IP
SPRAAKKUNST.
45

First future tense,
I shall {will) *)
Thou wilt ishalt)
He will {shall)
We shall {will)
You will {shall)
They will {shall)
Second future tense,
1 shall {will)
Thou wilt {shall)
He will {shall)
We shall {will)
You will {shall)
They will {shall)
imperative mood ,
Let me have.
Have, or have thou, or do thou
have ,
let him have.
Let us have.
Have, or have you, or do you,
or ye have.
Let them have,
POTENTIAL MOOD,
Present tense,
I 7nay or can have,
Thov, mayst or canst have.
He may or can have.
We may or can have.
You may or can have.
They may or can have.
Imperfect tense,
1 might, could, would or should
have,
Thou mightst, couldst, wouldst
or shouldst have.
He might, could, would or should
have,
We might, could, would or should
have,
You might, could, would or should
have,
They might, could, would or
should have.
Eerste toekomende tijd.
Ik zal hebben.
Gij zult hebben.
Hij zal hebbeo.
Wij zullen hebben.
Gij zult hebben.
Zij zullen hebben.
Tweede toekomende tijd.
Ik zal gehad hebben.
Gij zult gebad hebben.
Hij zal gehad hebben.
"Wij zullen gehad hebben.
Gij zult gehad hebben.
Zij zullen gehad hebben.
gebiedende "wijs.
Laat mij hebben.
Heb.
Laat hem hebben.
Laat ons bebben.
Hebt.
Laat ben hebben.'
vermogende "wljs;
Tegenwoordige tijd.
Ik mag of kan hebben.
Gij moogt of kunt hebben.
Hij mag of kan bebben.
"VVij mogen of kunnen hebben.
Gij moogt of kunt hebben.
Zij mogen of kunnen hebben.
Onvolmaakt verl. tijd.
Ik mogt, kon, wilde of
zou
Gij mogt, kondet, wildet
of zoudt
Hij mogt, kon, wilde of)
zou
AVij mogten, konden, wil-
den of zouden
Gij mogt, kondet, wildet
of zoudt
Zij mogten , konden , wil-
den of zouden
a
C
o-
*) De leerling vergelijke deze vervoeging met hetgeen over will
en shall op bladz. 57 voorkomt.