Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
SPRAAKKUNST. 39
sy 16? Ih zal ernaar vernemen. "Welk^rfl/sc/trty/18 hebt
gij gelezen? Dit, mijnbeer! ynTiyieWLcn godslasteraar spreekt
men 20? Zij zullen 21 't u oogeiihlikkelijk 22 verhalen 23.
16 do they come. 18 epitaph. 21 will.
17 I will inquire in- 19 blasphemer. 22 immediately,
to it. 20 do they speak. 23 relate.
38.
"Welke diaken 1 cn welke ouderlingen 2 hehhe7i die zaak be-
stuurd 3? Deze voorlezer 4 zal bet zeker 5 welen. AV'elk
hoek heeft zij betaald 6? Dil; maar dat was teruggezonden 7.
Wat verbeelden zij zich 8? Zij maken een geheim 9 van hunne
gévoelens IQ. Van welke getuigen 11 sprake7i deregters 12?
Hiervan zeiden 13 zij gee7i e7ikel woord 14. Ik vertrouw 15
dit geld en die goedere7i 16 aan dezen armen boer toe. Gij
zijt onvoorzigtig ; gij zult alles verlieze7t 17. Hij dtnkt aaJi
18 de gevaarlijke 19 onderneming. Aan welke?
1 deacon. 7 sent back. 13 said.
2 elder. 8 do they imagine 14 not a single word.
3 have managed that themselves. 15 trust,
affair. 9 secret. 16 goods.
4 reader. 10 opinion. 17 lose all.
5 certainly. 11 evidence. (of? 18 thinks of.
C paid. 12 did the judges speak 19 dangerous.
5. Over de BetrekJcelijlce Voor naamwoorden.
De voornaamwoorden who, which en what, die wij als vragende
opgegeven hebben , zijn ook betrekkelijk; hierbij voegt men that^
Who behondt dezelfde verbuiging.
Als betrekkelijk voornaamw, wordt «f/^o alleen voor personen en niet
voor zaken gebezigd; that voor beiden: which wordt niet gebruikt,
als men spreekt van God, van menscben of van wezens, die on-
der eene menschelijke gedaante worden voorgesteld, tenzij er sprake
is van één* uit een getal.
What is een zamengesteld woord en beteekent; that which (dat,
hetwelk) of the thing which (de zaak, die); b. v.: This is what I
wanted, dit is wat ik behoefde.
Deze voornaamwoorden veranderen niet door de geslachten en ge-
tallen , zoo als uit de volgende spreekwijzen blijkt:
The man who speaks there, is de man, die daar spreekt, is mijn
my brother, broeder.
iMilriïTi 1 f\