Boekgegevens
Titel: Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Auteur: Murray, Lindley; Bruinvisch Maatjes, Adrianus
Uitgave: Zalt-Bommel: Joh. Noman en zoon, 1860
7e verb. dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6734
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202891
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Engelse taalkunde
Trefwoord: Engels, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Engelsche spraakkunst: met toepasselijke opstellen ter vertaling
Vorige scan Volgende scanScanned page
100.
ENGELSCHE

Thou hast dressed thyself.
He has dressed himself,
IFe have dressed ourselves.
You have dressed yourself {your-
selves) ,
They have dressed themselves,
Pluperfect tense,
I had dressed myself.
Thou hadst dressed thyself,
He had dressed himself.
We had dressed ourselves.
You had dressed yourself {your*
selves),
They had dressed themselves,
Mrst future tense,
I shall dress myself,
Thou wilt dress thyself,
He will dress himself,
We shall dress ourselves,
You will dress yourself {yoursel-
ves).
They will dress themselves,
Second future tense,
I shall have dressed myself,
Thou wilt have dressed thyself.
He will have dressed himself,
We shall have dressed ourselves.
You will have dressed yourself
{yourselves),
They will have dressed them-
selves ,
Imperative mood.
Let me dress myself,
Dress thyself, or do thou dress
thyself.
Let him dress himself.
Let us dress ourselves,
Dress yourself {yourselves) or do
you dress yourself {yourselves),
Let them dress themselves.
Potential mood ,
Present tense,
I may or can dress myself.
Thou mayst or canst dress thy-
self,
He may or can dress himself,
Gij hebt u aangekleed.
Hij heeft zich aaogekleed.
Wij hebben ons aangekleed.
Gij hebt u aangekleed.
Zij hebben zich aangekleed.
Meer dan volra. verl. tijd.]
Ik had mij aangekleed.
Gij hadt u aangekleed.
Hij had zich aangekleed.
Wij hadden ons aangekleed.
Gij hadt u aangekleed.
Zij hadden zich aangekleed.
Eerste toekomende tijd.
Ik zal mij aankleeden.
Gij zult u aankleeden.
Hij zal zich aankleeden.
Wij zallen ons aankleeden.
Gij zult u aankleeden.
Zij zullen zich aankleeden.
Tweede toekomende tijd.
Ik zal mij aangekleed hebben.
Gij zult u aangekleed hebben.
Jlij zal zich aangekleed hebben.
Wij zullen ons aangekleed hebben.
Gij zult u aangekleed hebben.
Zij zullen zich aangekleed bebben,
Gebiedende -wijs.
Dat ik mij aankleede.
Kleed u aan.
Laat hem zich aankleeden.
Laat ons (dat wij) ons aankleeden.
Kleedt u aan.
Laat ben zich aankleeden.
Vermogende wijs.
Tegenwoordige tijd.
Ik mag of kan mij aankleeden.
Gij moogt of kuut u aankleeden.
Hij mag of kan zich aankleeden.