Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Iloe schaam ik mij, dat ik 'l gcboJ
Van zulk een' God,
Zoo vaak dorst overlreden;
Ik vraag Hem om vergiffenis;
Hoe groot Hij is.
Hij hoort ook mijn gebeden.
DE HENGELAAR.
Er zal laatst aan een' walerplas
Een hengelaar in 't groene gras.
Dan zat hij hier, dan daar weer neer.
Maar *t selieen, er was geen vischje meer
Want wat hij deed, of wal hij liel ,
Ach, dc arme vissclier ving maar niet.
Düch eindelijk , zie, daar bijl er een,
En trekt den dobber naar beneén;
De vissclier haait, op 't eigen pas.
Een baarsje op uit den waterplas;
't Ging voorts volkomen naar zijn zin,
Dc man haalde op en lei weer in.
En kreeg zoo, door zijn lang geduld.
Zijn netje toch met visch gevuld.
Nog nooit verkreefj er eenig mensch,
Door ongeduld zijn' harlewensch;
Maar die gestadig werkt cn wachf.
Verkrijgt vaak meerder dan hij dacht.
O, lieve jeugd! het is zoo waar;
Ei, denk maar om dien hengelaar!