Boekgegevens
Titel: Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Amsterdam: J.H. en G. van Heteren, 1863
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 4054
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202685
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Kindergedichten (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Gedichtjes voor kinderen uit behoeftigen stand
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Hoort van een' hond, het niet lanj duurt.
Of hier of daar wordt in de huurt
Eea doode naar het graf gedragen?
de moedek.
Wel dientje-lief! foei, schaam u %va!;
Wel kind! wel kind! wie zei u dal?
Dien n^oogl ge wel een domoor heelen.
Geen mensch weet ooit hel slervensuur,
'tis een gelieim van 't Gudshesluur,
En zou een divr dat uur dan weten?
DOET GE NIETS?
(Em Versje voor een lui ki/id^ op een Winteravond.)
Ach, dat geeuwen en dat gapen,
En dat sl;ipen,
Pas is 'l avond, d(iet gc niets?
Foei! gij moet geen luiaard wezen,
Ga wal lezen.
Of len minste doe Ijch iels.
Die daar 'savon Is altijd gaaprij.
Altijd slanprig,
Op een sloeiije zit hij 'l vuur.
Wordt hoe langs hnc meer al luomer,
Ja eea droomer.
En verkwist zoo menig uur.