Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Auteur: Bijl, P.; Andriessen, P.J.
Uitgave: Amsterdam: J.D. Sybrandi, 1865
4e dr. nagezien en verm.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2709
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202642
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in de Nederlandsche taal
Vorige scan Volgende scanScanned page
LES 9.
over de taaldeelen.
AI de woorden, uit welke de Nederlandsclie taal is zaniengesleld,
worden in tien soorten onderscheiden, die men taal-of rededeelen noeml.
Deze tien soorten zijn:
1. Zelfstandige naamwoorden, 2. Lidwoorden, 3. Bijvoegelijke naam-
woorden, 4. Voornaamwoorden, 5. Werkwoorden, 6. Telwoorden, 7. Bij-
woorden, 8. Voorzelsels, 9. Voegwoorden, en 10. Tnsschenwerpsels.
Zij worden onderscheiden in veranderlijke (de zeven eerste) en on-
veranderlijke (de drie laatste).
De veranderingen geschieden door verbuiging, vervoeging, en door de
trappen van vergelijking.
LES 7.
over de zelfstandige naamwoorden,
Zelfstandige naamwoorden zijn de namen van personen, voorwerpen
of zaken, als: mensch, bloem, deugd, enz.
De zelfstandige naamwoorden worden onderscheiden in eigene en
gemcene.
Eigene zelfst. naamw., zijn namen, die aan enkele personen, voorwer-
pen of zaken gegeven worden, Ier onderscheiding van nlle andere. Het
zijn de namen van menschen, landen, steden, dorpen, rivieren, enz*
Algemeene zelfst. naamw. zijn namnn, die aan alle personen, voorwerpen
of zaken van dezelfde soort gegeven worden ; als: mensch,paarde höom,t\\z,
Zamengeslelde naamw zijn die, welke uil twee of meer woorden
bestaan; als: biervat, broodbakkersknecht, vraagal, ondergang, enz. Zij
hebbt»n het geslacht van het laatste woord, behalve = booswicht, kerkhof,
vrouwspersoon, oogenblik.
Verkleinende zelfst. naamw. zijn die, welke den uitgang ye, tja o( pje
achter zich hebben, en daardoor personen of zaken verkleind voorsteU
len; wordt gevoi'gd achter de woorden, die roet eenen kUnieer oïmei
eene /, r, n en w eindigen; koetje, vrouwtje. Gaat er eene korte klanh
den slotmedeklinker dadelijk vooraf, dan wordt die verdubbeld, ham,
hammet)e, ton, tonnetje; je achter al de andere uitgangen; liedje, huisje,
en pje ?chter de w, wanneer die in de verkleining niet door eene zacht-
korte e gevolgd wordt; bijv. boompje, maar lammetje.
De zelfstandige naamwoorden ondergaan veranderingen door de
verbuiging.
Bij de verbuiging der zelfstandige naamwoorden heeft men in acbt
te nemen: hun getal, geslacht en naamval.
De zelfstandige naamwoorden hebben twee getallen, bet enkel' en
bet meervoud.
Het enkelvoudige getal duidt niet meer dan een persoon,«^n voorwerp
of eene zaak aan; als« smid, tafel, deugd.